Inleiding
Het College van Bestuur (CvB) van de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA) heeft ons verzocht haar te adviseren over de juridische status van het kerkverband van de CGK. Over deze status bestaat na de laatste generale synode (gs) veel (ons inziens overigens onnodige) verwarring. De TUA is nauw verbonden met de CGK. Verwarring over de juridische situatie van de CGK raakt dan ook de positie van de TUA.
Vanwege het belang van het onderwerp voor het kerkverband heeft het CvB ermee ingestemd dat een bewerking van de notitie1 aan de kerken beschikbaar wordt gesteld.
In deze notitie beantwoorden we de vraag wat de juridische status van het kerkverband van de CGK is en wat dit betekent voor haar meerdere vergaderingen. Onze insteek is die van het civiele recht, meer in het bijzonder die van het rechtspersonenrecht. Het gaat ons niet om een ecclesiologische beoordeling, zelfs niet primair om het kerkrecht, behalve waar dit relevant is voor de civiel-juridische beoordeling.
Wij zullen ons in deze notitie ook verhouden tot wat enkele anderen (onder meer het moderamen van de laatste gs en het CG Beraad) over dit onderwerp hebben geschreven.
Het is de bedoeling om over het onderwerp van deze notitie een artikel te publiceren in een wetenschappelijk tijdschrift op het gebied van het kerkrecht. De notitie vormt de basis voor dit artikel.
Samenvatting
In deze notitie zullen wij op basis van een civielrechtelijke analyse het volgende uiteenzetten:
- De (landelijke) CGK en haar meerdere vergaderingen bezitten als kerkelijke rechtspersonen rechtspersoonlijkheid.
- De regels van titel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over onder meer de (ver)nietig(baar)heid van besluiten en de ontbinding van rechtspersonen zijn van toepassing op het kerkverband van de CGK.
- Alleen de gs kan besluiten tot een reorganisatie van het kerkverband van de CGK.
- Het kerkverband van de CGK bestaat in juridische zin zolang de gs geen besluit tot ontbinding heeft genomen.
- De vergaderstructuur van de CGK is nog legitiem, ook al staan de artikelen 30 en 31 KO onder spanning.
- Het staat plaatselijke kerken op zich vrij een eigen samenwerkingsverband op te zetten. Maar als dat verband een institutioneel karakter krijgt (met eigen meerdere vergaderingen) ontstaat daarmee een nieuw kerkverband. Dat kerkverband komt niet in de plaats van het bestaande kerkverband van de CGK.
De CGK als kerkelijke rechtspersoon
Een kerkgenootschap is een aparte figuur in het rechtspersonenrecht. Volgens artikel 2:2 lid 1 BW bezitten kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd van rechtswege – dus zonder dat behoefte worden voldaan aan formele vereisten waaronder een notariële akte en inschrijving in de kamer van koophandel – rechtspersoonlijkheid. Zij worden geregeerd door hun eigen statuut (voor zover niet in strijd met de wet[2]) en de bepalingen in titel 1 van boek 2 BW gelden (met uitzondering van artikel 2:5 BW[3]) niet voor hen. Overeenkomstige toepassing van die bepaling is wel geoorloofd ‘voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen’(artikel 2:2 lid 2 BW).
Het staat niet ter discussie dat plaatselijke kerken van de CGK ieder voor zich zelfstandige kerkelijke rechtspersonen zijn. Maar ook de bovenplaatselijke verbanden, waarin zij zijn georganiseerd hebben rechtspersoonlijkheid. Dat geldt in elk geval voor de classes, ps-en en de gs. Het zijn ‘lichamen waarin de plaatselijke kerken zijn verenigd’ in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW en daarom kerkelijke rechtspersonen.[4] Uit artikel 84 KO volgt dat de CGK dat zelf ook zo ziet[5], hoewel dat niet zo expliciet in de KO is vastgelegd, zoals in de KO van de gereformeerde gemeenten.[6]
Het landelijk kerkverband van de CGK is, net als andere kerkverbanden van gereformeerd belijden (zoals de gereformeerde gemeenten), ook zelf te beschouwen als kerkelijke rechtspersoon; het is een lichaam waarin de plaatselijke kerken zijn verenigd in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW en bezit om die reden rechtspersoonlijkheid. In dit verband is van belang dat landelijke kerkelijke werkers een arbeidsovereenkomst sluiten met de CGK.[7]
Het ligt dan voor de hand om de gs als een orgaan van deze kerkelijke rechtspersoon te beschouwen. Een gangbare definitie van het begrip orgaan van een rechtspersoon is de volgende[8]:
‘Een uit een of meer personen bestaande functionele eenheid die door de wet of de statuten met beslissingsbevoegdheid in aangelegenheden de rechtspersoon betreffende is bekleed.’
Op grond van deze definitie is de gs (ook) een orgaan van de CGK: De KO (artikel 50) bepaalt dat er een instituut als de gs bestaat, dat dat instituut geregeld samenkomt en regelt dat de gs besluiten neemt (beslissingsbevoegdheid heeft) over tal van aangelegenheden die het kerkverband aangaan.
Toepasselijke rechtsregels
Kerkelijke rechtspersonen worden, zoals gezegd, niet alleen gereguleerd door hun eigen statuut, maar ook door de met de aard van het kerkgenootschap niet onverenigbare bepalingen van in titel 1 van boek 2 BW. De artikelen 2:14 en 2:15 BW staan in titel 1 van boek 2 BW en zijn dus niet rechtstreeks van toepassing. In de literatuur en rechtspraak wordt er ook vanuit gegaan dat deze bepalingen analogisch mogen worden toegepast.[9]
In artikel 2:14 BW is bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Van nietigheid is dus sprake wanneer aan de volgende vereisten is voldaan:
- een besluit van een orgaan van een rechtspersoon;
- dat in strijd is met de wet of de statuten (tenzij uit de wet iets anders voortvloeit).
Als een besluit nietig is, wordt het geacht niet te hebben bestaan. Het heeft in elk geval geen gevolg.
Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW geldt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met een wettelijke of statutaire bepaling die de totstandkoming van besluiten regelt, wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW of wegens strijd met een reglement. Dat een besluit vernietigbaar is, betekent dat het niet van rechtswege (dus automatisch) nietig is, maar dat er door een belanghebbende een beroep op de vernietigbaarheid wordt gedaan. Als dat beroep terecht is gedaan, en door de rechter wordt gehonoreerd, vernietigt de rechter het besluit (artikel 2:15 lid 3 BW). De bevoegdheid om vernietiging te vorderen vervalt uiterlijk een jaar nadat de belanghebbende er kennis van heeft kunnen nemen (2:15 lid 5 BW).
Wanneer een rechtspersoon iets besluit dat in strijd is met de statuten is dat besluit nietig. Wanneer de wijze van totstandkoming in strijd is met de statuten (de leden zijn bijvoorbeeld niet 14 dagen van te voren opgeroepen, terwijl dat wel moest), is het besluit vernietigbaar.
Uit het voorgaande volgt dat ook besluiten van een gs kunnen worden aangetast met een beroep op artikel 2:14 of 2:15 BW. In de door de Broeksterwoude-Petrus aanhangig gemaakte procedure heeft deze gemeente zich ook op deze bepalingen beroepen, door onder meer te betogen dat het besluit om geen roepende kerk aan te wijzen nietig is wegens strijd met artikel 50 KO. Dat is ons inziens een zeer verdedigbare stelling.[10]
Kerkelijke ‘reorganisaties’
In de juridische literatuur[11] wordt ervan uitgegaan dat de vrijheid van inrichting van kerkgenootschappen de vrijheid omvat om zich te reorganiseren, bijvoorbeeld door te fuseren of te splitsen. Daarnaast kunnen kerkgenootschappen zichzelf ontbinden of opheffen. De verschillende vormen van reorganisatie worden beheerst door het statuut van het kerkgenootschap, in elk geval voor wat betreft de kerkelijke aspecten van de organisatie.[12] Daartoe behoren de besluitvorming (wie is bevoegd om welke reorganisatiebesluiten te nemen), organisatorische gevolgen, gronden voor de beoordeling van de geldigheid van de reorganisatie en vaststelling van de door het kerkgenootschap beoogde vermogensrechtelijke gevolgen van de reorganisatie. Minder duidelijk is hoe andere aspecten van de reorganisatie – vooral goederenrechtelijke gevolgen, waarbij belangen van derden zijn betrokken – geregeld worden.
Het is dan ook van belang na te gaan of de KO van de CGK bepalingen bevat die van betekenis zijn voor een eventuele bestuurlijke reorganisatie van het kerkverband.
In de KO ontbreken specifieke bepalingen over splitsing, fusie of ontbinding van de CGK. Wat wel relevantie heeft, is dat de KO een regeling over de samenwerking van plaatselijke kerken met andere kerken van gereformeerd belijden (bijlage 1.8 bij de KO). Uit deze bijlage volgt dat de kerkenraad van een gemeente daartoe niet zonder meer zelf kan beslissen. Voor alle in een proces van samenwerken te nemen stappen is allereerst een genoegzaam ‘eenparig gevoelen’ van de gemeente voor nodig. De classis moet zich ‘ervan overtuigen’ dat aan de inhoudelijke en formele vereisten voor de verschillende stappen is voldaan.
Die rol van de classis is er op grond van de KO ook bij de stichting en opheffing van plaatselijke gemeentes. In beide gevallen is het advies van de classis noodzakelijk (artikel 38 KO).[13] De kerkenraad besluit tot opheffing, maar niet buiten de classis om. Uit deze regeling kan ook worden afgeleid dat de kerkenraad van een plaatselijke gemeente die gemeente niet zonder meer kan onttrekken aan het verband van de kerken.
Ten slotte – en in dit kader zeker ‘last but not least’- bevat de KO een regeling voor situaties dat een plaatselijke gemeente over wil gaan naar een andere classis. In artikel 41 onder 2 KO is – kort gezegd – bepaald dat dit alleen mag wanneer beide betrokken classes daarin bewilligen, bij gebreke waarvan de ps beslist. Een plaatselijke gemeente kan dus niet zonder toestemming van de classis waartoe zij behoort overgaan naar een andere classis.
Gezien het bovenstaande kunnen kerkenraden van plaatselijke gemeenten op grond van de KO niet zonder bemoeienis van de classis beslissen over de stichting en opheffing van plaatselijke gemeenten, óók niet over samenwerking met gemeenten van een ander kerkverband die de structuur van de plaatselijke gemeente raken en evenmin over de classis waartoe de plaatselijke gemeente behoort.
Daaruit volgt dat de KO kerkenraden van plaatselijke gemeenten niet de ruimte geeft om zich formeel buiten de bestaande classicale structuren om in alternatieve classes te organiseren. De KO staat er weliswaar niet aan in de weg dat plaatselijke kerken op informeel niveau samenwerken met andere plaatselijke kerken van het kerkverband met wie ze willen. Maar die samenwerking vormt waar het de officiële structuur en besluitvorming van de CGK betreft geen alternatief voor die structuur. Een plaatselijke kerk kan immers intensief met andere plaatselijke kerken samenwerken, of helemaal niet met andere plaatselijke kerken uit het kerkverband, maar zij blijft deel uitmaken van de classis waaronder zij ressorteert, totdat die classis haar toestemming geeft naar een andere classis over te gaan. Die andere classis is dan wel een andere al bestaande classis, die bovendien toestemming moet geven voor die overgang.
Het ligt gezien deze structuur voor de hand dat voor een grootschalige – landelijke – ‘reorganisatie’ een besluit van de gs noodzakelijk is. In dit verband wijzen we erop dat in het verleden de gs heeft besloten[14] om een herindeling van classes te onderzoeken. Kennelijk, en alleszins begrijpelijk, werd de reorganisatie van de organisatiestructuur van de kerken gezien als een zaak van de gs.
De gedachte dat gelijkgezinde plaatselijke kerken op basis van een gedeelde overtuiging ‘van onderaf’, met uitsluiting van kerken die die overtuiging niet delen of praktiseren, de CGK buiten de nu bestaande structuren van classis en ps om opnieuw kunnen opbouwen, is gezien het voorgaande in strijd met inhoud en structuur van de KO. Als het de bedoeling is om dat te doen vanuit de ‘vierslag’ Schrift -Belijdenis-KO en synodale besluiten, is dat trouwens per definitie onmogelijk. Eén van de elementen van die vierslag – de KO – staat er, zoals hiervoor is uiteengezet, immers aan in de weg dat plaatselijke kerken zichzelf buiten de bestaande classicale structuren om in (nieuw te vormen) classes of andere ‘meerdere vergaderingen’ organiseren.
Het einde van het kerkverband
Rechtspersonen kunnen eindigen, ‘ontbonden worden’ zoals dat heet in de terminologie van boek 2 BW. In artikel 2:19 BW is geregeld in welke gevallen een rechtspersoon wordt ontbonden. De bepaling noemt zes gevallen van ontbinding, waarvan alleen het eerste geval – ontbinding door besluit van het bevoegde orgaan – relevant is. De andere gevallen laten we dan ook buiten beschouwing. In de literatuur wordt ervan uitgegaan dat artikel 2:19 BW – een bepaling uit titel 1 van Boek 2 BW – eveneens naar analogie kan worden toegepast op kerkelijke rechtspersonen.[15] Dat betekent dat kerkelijke rechtspersonen kunnen eindigen door een besluit tot ontbinding. Wanneer het statuut van de kerkelijke rechtspersoon een regeling voor de ontbinding bevat, moet die regeling worden gevolgd. Ontbreekt zo’n regeling dan kan toch een besluit tot ontbinding worden genomen. Door uitleg van het statuut, moet worden vastgesteld welk orgaan tot ontbinding kan besluiten en welke procedure daarbij moet worden gevolgd. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de wèl in het statuut vastgelegde procedures over besluitvorming ten aanzien van zwaarwichtige aangelegenheden.[16]
De KO bevat geen bepaling over ontbinding van het kerkgenootschap, de classis of de ps. Dat betekent niet dat niet tot ontbinding van deze kerkelijke rechtspersonen besloten kan worden. Maar voor de ontbinding is wel een besluit nodig. Zolang dat besluit niet is genomen, zijn de rechtspersonen niet ontbonden en bestaan ze dus nog als juridische entiteit.
De gs – onmiskenbaar het enige bevoegde orgaan dat een dergelijk besluit zou kunnen nemen – heeft niet besloten om het kerkverband van de CGK te beëindigen of te ontbinden.[17] Dat betekent dat de CGK nog als kerkelijke rechtspersoon en daarmee als juridische entiteit bestaan.
Dat geldt niet alleen voor het landelijk kerkverband, maar ook voor de regionale en bovenregionale verbanden (classis en ps). Wanneer het kerkverband nog bestaat, is het moeilijk voorstelbaar dat dit op een ‘lager aggregatieniveau’ anders zou liggen. Het kerkverband bestaat niet alleen op synodaal niveau, maar ook op het niveau van classis en ps (vgl. artikel 29 KO waar deze drie meerdere vergaderingen worden vermeld).
We tekenen daarbij aan dat een classis of ps in theorie een ontbindingsbesluit – betreffende de eigen classis of ps – zou kunnen nemen. Maar een dergelijk besluit zou erop neerkomen dat gemeentes die (wel) willen blijven behoren tot het landelijk kerkverband zich opnieuw zouden moeten organiseren. Dat betekent in feite een reorganisatie van de regionale samenwerkingsverbanden. En, zoals hiervoor uiteengezet, kan zo’n reorganisatie niet door een enkele classis worden gerealiseerd. Bovendien staan tegen een besluit tot ontbinding van een classis rechtsmiddelen (revisie en appel) open. Het komt ons voor dat appel tegen een dergelijk besluit succesvol is, zolang de gs niet tot ontbinding van de CGK heeft besloten. Het is niet aan een individuele classis of gs om op dit punt ‘voor de (treur)muziek uit te lopen’.
De conclusie is dat zowel het landelijk kerkverband als haar regionale samenwerkingsverbanden (classis en ps) nog bestaan.
Geldt de bestaande vergaderstructuur nog?
Na de sluiting van de laatstgehouden gs rees de vraag of het kerkverband van de CGK nog wel bestond en, in samenhang daarmee, of de bestaande vergaderstructuur (met vergaderingen van classis, ps en gs) nog wel rechtsgeldig (legitiem) is. In de brief van 5 juni 2025 van deputaten vertegenwoordiging aan de kerkenraden stelden deputaten die vraag en gaven zij daarop het volgende antwoord:
“Het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken bestaat nog steeds. Alle 181 plaatselijke kerken bestaan immers nog. En als de Heere het geeft, zullen die 181 plaatselijke kerken komende zondag allemaal weer hun erediensten beleggen. Die plaatselijke kerken hebben ook nog steeds hun gezamenlijke verantwoordelijkheden: de TUA, de emeritikas, het zendingswerk etc. Maar de vergaderstructuur van het kerkverband blijkt vast te lopen. Omdat de artikelen 30 en 31 van onze kerkorde niet meer functioneren, is het aan de plaatselijke kerken om te bepalen hoe zij zich tot de huidige situatie verhouden. Willen zij zich opnieuw in synodaal verband vergaderen? Hoe dan? En met welke andere gemeenten dan? Die gewichtige vragen liggen nu op de tafel van de plaatselijke kerken.”
Eerder in de brief hadden deputaten in een toelichting op besluit van de gs – het besluit om aan hen mandaat te geven om na sluiting van de gs te handelen in de situatie zoals die na sluiting van de gs ontstaat – al geschreven:
“Besluit 5 is genomen met het oog op de situatie na sluiting van de synode. Die situatie is hoogst onzeker. Het is aan de plaatselijke gemeenten om te bepalen hoe zij zich willen vergaderen.”
Het CG Beraad heeft op haar website in een bericht van 19 juni 2025 deze passages aangehaald ter onderbouwing van haar stelling dat de synodale kant van het kerkstelsel niet meer functioneert en dat de enige kerkelijke vergadering die er nog is de kerkenraad is. Het CGBeraad daarover:
“Vergaderingen waar meer kerken samenkomen, nemen geldige besluiten voor die kerken welke deze besluiten voor ‘vast en bondig’ achten. Deze besluiten kunnen niet als vanzelfsprekend bindend geacht worden voor de andere kerken. De gewone meerdere vergaderingen (classis, particuliere synode, generale synode) kunnen niet meer wettig samenkomen, omdat dat de kerkordelijke basis (artikel 30 en 31 KO) krachteloos is geworden en niet meer functioneert.”
Daaraan verbond het CG Beraad het volgende advies aan kerkenraden die zich afvroegen of zij nog wel naar classicale vergaderingen zouden moeten gaan:
“Omdat de basis onder de meerdere vergaderingen is weggevallen, is de hoofdlijn dat de classis niet meer legitiem bijeen kan komen om besluiten te nemen voor het geheel van het (voormalige) ressort. Het is dus niet verstandig om op dit moment daaraan deel te nemen. Wie dat wel doet, geeft opnieuw legitimiteit aan deze classis. Het is om die reden ook af te raden om een schrijven te richten aan een roepende kerk of vaste classis-scriba. Feitelijk zijn al deze regelingen vervallen. Als een (voormalige) classis toch samenkomt en u wilt laten weten dat u daar niet zult komen en dat u de legitimiteit van deze vergadering betwist, laat het dan aan alle kerken in de (voormalige) classis weten. En let op: stel geen appel in tegen genomen besluiten, want ook daarmee geeft u achteraf legitimiteit aan deze vergadering.”
Mogelijk in reactie op dit advies schreven deputaten vertegenwoordiging in een brief van 8 juli 2025 aan alle kerkenraden:
“Van meerdere kanten wordt ons als deputaten vertegenwoordiging de vraag gesteld of er in de huidige situatie nog wel sprake kan zijn van reguliere classisvergaderingen.
De vraag kan inderdaad opgeworpen worden of dit nog een bijeenkomst van de classisvergadering is. Maar omdat hoe dan ook zoveel als mogelijk voorkomen moet worden dat kerkleden door de huidige situatie tussen wal en schip raken, adviseren wij de classis om zo lang als nodig in elk geval zaken als het afgeven en ontvangen van attesten van predikanten, emeriteringen en classicale examens van kandidaten voortgang te laten vinden.
Wij geven dit advies zonder daarmee definitieve uitspraken te doen over de vraag of dit nog een bijeenkomst van de classisvergadering is. Daartoe achten wij ons op dit moment niet geroepen.”
Uit de brieven van deputaten vertegenwoordiging volgt dat zij worstelen met de vraag of de CGK als kerkverband nog wel bestaan en die vraag ook verbinden met een andere vraag: of er nog wel rechtsgeldige classisvergaderingen gehouden kunnen worden. Dat laatste lijken zij serieus te betwijfelen. Het CG Beraad heeft daar geen twijfels over: De classes kunnen niet meer legitiem bijeenkomen.[18]
Uit wat wij hiervoor hebben uiteengezet, volgt dat er geen reden is om te twijfelen aan het bestaan van de CGK (en de classes en ps-en waarin zij georganiseerd is) als juridische rechtspersoon. De CGK bestaan dus nog ‘gewoon’. De door het CG Beraad (en in mindere mate deputaten vertegenwoordiging) geuite twijfel is dan ook ongegrond.
Dat betekent ook dat het uitgangspunt is dat de organisatiestructuur van de CGK nog bestaat en dat de vergaderingen die leiding geven aan die structuur (de organen ervan – classis en ps) ook nog bestaan. Als die organen bijeenkomen, is dat in beginsel dan ook legitiem. Sterker, het is juist niet legitiem wanneer de classes en ps-en niet minstens tweemaal respectievelijk eenmaal per jaar bijeenkomen, omdat de KO dat ondubbelzinnig voorschrijft (vgl. artikel 40 en 47 KO). Niet vergaderen is dan ook in strijd met de KO.[19]
Tot zover het uitgangspunt. De vraag rijst of dit uitgangspunt opzij gezet kan worden omdat de artikelen 30 en 31 KO niet functioneren. Dat is – vanuit het oogpunt van het civiele recht – niet het geval. Daarbij is het volgende van belang:
- De artikelen 30 en 31 KO zijn belangrijke bepalingen die impliceren dat plaatselijke gemeenten zich dienen te houden aan besluiten van de gs (en zeker wanneer die besluiten na revisie zijn bevestigd). Het is begrijpelijk dat plaatselijke kerken in verwarring en uiteindelijk wanhopig en gefrustreerd raken wanneer zij moeten vaststellen dat andere plaatselijke kerken zich niet houden aan besluiten van de gs, óók als die kerken menen daarvoor goede argumenten te hebben.
- Daarbij past overigens wel een relativerende opmerking. Dat plaatselijke gemeenten zich niet in alle opzichten houden aan alle besluiten van de gs, is in de geschiedenis van de CGK geen unicum. Ten aanzien van liturgische kwesties (in het bijzonder het zingen van geestelijke liederen) is dat decennialang het geval geweest. En ook nu is het niet de regel dat gemeentes zich niet aan besluiten van de gs houden. Integendeel, de meeste gemeentes houden zich aan alle besluiten van de gs en de gemeentes die dat niet doen houden zich aan vrijwel alle synodale besluiten. Dat is alleen anders voor wat betreft enkele specifieke onderwerpen, zoals ‘vrouw en ambt’ en het omgaan met homoseksualiteit. Er is dus geen sprake van een situatie waarin veel gemeentes ongelimiteerd en zonder zich gelegen te laten liggen aan besluiten van de gs ‘doen wat goed is in eigen ogen’.
- Het is de vraag of de artikelen 30 en 31 KO – hoe belangrijk ook – de ‘kerkordelijke basis’ vormen voor de meerdere vergaderingen, zoals het CG Beraad meent. Het ligt meer voor de hand om die basis te zoeken in artikel 29 KO (waar de meerdere vergaderingen worden vermeld) en in de specifieke bepalingen over respectievelijk de classis (artikel 41 e.v. KO), de ps (artikel 47 e.v. KO) en de gs (artikel 50 KO). In die bepalingen is onder meer vastgelegd dàt deze meerdere vergaderingen er (moeten) zijn, hoe ze zijn samengesteld, hoe vaak ze samenkomen en welke onderwerpen ze behandelen. De artikelen 30 en 31 KO geven algemene regels over de aard van de onderwerpen (‘kerkelijke zaken), de wijze van vergaderen (‘op kerkelijke wijze’), de onderlinge afbakening en het recht van appel. Het zijn dan ook niet zo zeer bepalingen met een constituerend, maar met een regulerend karakter.
- Het enkele feit dat binnen een rechtspersoon niet de hand wordt gehouden aan alle bepalingen van haar statuut – meer in het bijzonder aan bepalingen over de besluitvorming en onderlinge verhoudingen – heeft geen gevolgen voor de formele structuur en/of het proces van besluitvorming binnen die rechtspersoon. Als die situatie zich voordoet, kan de rechtspersoon maatregelen nemen om orde op zaken te stellen en proberen nakoming van haar statuut af te dwingen. Wanneer haar statuut haar daarvoor onvoldoende mogelijkheden biedt, kan zij desgewenst en voor zover dat mogelijk is haar statuut aanpassen. Kan of wil zij dat niet, dan kan het daartoe bevoegde orgaan overwegen een besluit tot ontbinding te nemen. Tot het moment dat dat besluit is genomen, blijft de rechtspersoon bestaan en blijven haar organen en organisatiestructuren intact.[20] Tot dat moment dient de rechtspersoon zich ook te houden aan de bepalingen van haar statuut.
Voor een kerkelijke rechtspersoon is dat niet anders. Als belangrijke bepalingen uit de KO niet functioneren, ook al zijn dat bepalingen over het bestuur en de organisatie van het kerkgenootschap, dient het kerkgenootschap te zoeken naar mogelijkheden om aan die situatie een einde te maken. Als de KO die mogelijkheden niet biedt, kan zij overwegen de KO aan te passen. Eventueel kan het daartoe bevoegde orgaan (in dit geval de gs) besluiten het kerkverband te ontbinden. Maar tot die tijd blijven haar vergaderstructuur en besluitvormingsprocessen – ‘met alle lek en gebrek’- intact.
Hoe voorstelbaar het gevoel van frustratie over het functioneren van de kerkelijke vergaderingen ook is, er is geen deugdelijke juridische grondslag voor de opvatting dat de vergaderstructuur in de CGK (met classis, ps en gs) niet legitiem is om de reden dat de artikelen 30 en 31 KO (bij een aantal gemeenten en alleen ten aanzien van besluiten over enkele ‘heikele onderwerpen’) niet functioneren.
Het kerkverband ‘van onderaf opbouwen’?
Hiervoor is al aangegeven dat de veronderstelling dat plaatselijke gemeenten op basis van een gedeelde overtuiging ‘van onderaf’, met uitsluiting van kerken die die overtuiging niet delen of praktiseren, de CGK buiten de nu bestaande structuren van classis en ps om opnieuw kunnen opbouwen in strijd is met inhoud en structuur van de KO.
De vraag rijst wat de civielrechtelijke gevolgen zijn wanneer plaatselijke gemeenten die behoren tot de CGK zich toch verenigen in bovenplaatselijke verbanden. Afhankelijk van de aard en het karakter van de samenwerking vormen die kerken dan een kerkgenootschap, dat rechtspersoonlijkheid heeft in de zin van artikel 2:2 BW. Als de samenwerking een institutioneel karakter heeft, bijvoorbeeld doordat eigen ‘meerdere vergaderingen’ worden ingesteld, zal daarvan al snel sprake zijn.
Het is wel belangrijk om te onderstrepen dat zij dan een ander kerkgenootschap vormen dan de bestaande CGK. Het kerkgenootschap van de CGK bestaat immers nog en heeft haar eigen vergaderstructuur, bestaande uit de in de KO vermelde meerdere vergaderingen. De veel gehoorde gedachte dat deze samenwerkende plaatselijke gemeenten de CGK voortzetten, de eigenlijke CGK zouden zijn of in plaats komen van de bestaande CGK mist dan ook een deugdelijke juridische basis.[21]
Het staat plaatselijke kerken in beginsel vrij om zich aan de bestaande vergaderstructuur te onttrekken en eigen vergaderstructuren te organiseren. Maar als zij besluiten dat te doen, maken zij zich daarmee los van het bestaande landelijk kerkverband van de CGK. [22] Dat laatste is alleen anders wanneer de gs (alsnog) besluit tot een ‘reorganisatie’ van het kerkverband, die er bijvoorbeeld op neerkomt dat gelijkgezinde plaatselijke kerken aparte classes vormen. In dat geval is immers geen sprake van een besluit van (de kerkenraad van) een plaatselijke kerk, maar van een besluit van de gs. De gs heeft zo’n besluit echter (nog) niet genomen, hoewel een voorstel daartoe op de laatstgehouden gs wel voorlag.
Kampen/Dordrecht 16 september 2025
Mr. H. de Hek Prof. mr. W.A. Zondag
[1] De onderdelen die specifiek betrekking hebben op de TUA zijn weggelaten en de paragraaf over de CGK als civielrechtelijke rechtspersoon is herschreven. Verder zijn op detailniveau enkele wijzigingen aangebracht.
[2] Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het begrip ‘wet’ in deze bepaling verwijst naar bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’, waarbij is gedacht aan ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’. HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531 (NGK/Gort), NJ 2020/323 m.nt. Van Solinge, JAR 2019/274 m.nt. Zondag, JIN 2019/173 m.nt. De Jong.
[3] In die bepaling staat dat een rechtspersoon voor wat betreft het vermogensrecht gelijk staat aan een natuurlijke persoon. Dat geldt dus ook voor kerkelijke rechtspersonen.
[4] Zie het proefschrift van T.J.T. van Kooten, Het kerkgenootschap in de neutrale staat, Den Haag (Boom) 2017, par. 8.14. en de daar vermelde voorwaarden voor rechtspersoonlijkheid, waaraan ons inziens wordt voldaan. Zie bijvoorbeeld ook J.T. van den Berg, Lichamen waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, in de bundel De rechtspersoonlijkheid van geloofsgemeenschappen, Den Haag (Boom), 2012, p. 41 e.v. en M. Tydeman-Yousef, Op zoek naar de heilige graal (diss.), Deventer (Kluwer) 2022, par. 5.5.1.
Aldus ook het oordeel van Gerechtshof Arnhem in de zaak van De Boer vs CGK Zeewolde en de classes. Hof Arnhem 24 juni 2008, NL:GHARN:2008:BF3815, r.o. 5.3.3: “De CGK Zeewolde is een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW. Hetzelfde geldt voor de classis”. Idem in eerste aanleg: Rb. Zwolle-Lelystad 21 februari 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:AS6771 (prof.mr. J.M. van Slooten): “Op grond hiervan is CGK Zeewolde een rechtspersoonlijkheid bezittend kerkgenootschap dat in rechte kan worden betrokken. Voor de classis geldt dit eveneens, nu zij kan worden aangemerkt als een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd. Een redelijke uitleg van het begrip “stoffelijke aangelegenheden” brengt voorts mee dat hieronder ook vallen geldvorderingen uit hoofde van een gestelde arbeidsverhouding tussen een predikant en een kerkgenootschap”.
[5] Het eerste deel van dit artikel luidt: “De kerken, die in classes, particuliere synoden en generale synoden samenkomen, worden ten aanzien van vermogensrechtelijke zaken die zij gemeenschappelijk hebben, vertegenwoordigd door de respectieve classicale, particulier-synodale of generaal synodale vergaderingen of door deputaten, die door deze vergaderingen worden benoemd, geïnstrueerd en ontslagen en die in al hun handelingen aan hun instructie gebonden zijn.” Zie over de achtergrond hiervan M. te Velde, Kerkverband en rechtspersoonlijkheid, in: J.W. Maris e.a. (red.), Om de kerk, Theologische opstellen, aangeboden aan prof. dr. W. van ’t Spijker bij zijn afscheid als hoogleraar aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn, Leiden 1997, p. 176 e.v.
[6] Alwaar in de kerkorde (art. 29a lid 2) expliciet is opgenomen dat de kerkelijke vergaderingen rechtspersoonlijkheid hebben: “De in een meerdere vergadering (de classis, de particuliere synode en de generale synode) samenkomende kerken vormen een lichaam dat rechtspersoonlijkheid heeft. Dit wordt in rechte vertegenwoordigd door de preses en de scriba”.
[7] Zie art. 84 onder 1 KO en bijlage 2.1 bij de KO.
[8] J.B. Huizink (Groene Serie Rechtspersonen), aantek. 3.1 op 2:14 BW, met literatuurverwijzingen.
[9] Zie bijv. het proefschrift van P. Pel. p. 233 (Pel is verder uiterst terughoudend als het gaat om de inmenging van overheidsrechters in kerkelijke zaken). Zie ook Huizink (Groene Serie Rechtspersonen), aantek. 6.2.2 op 2:2 BW, met verwijzingen naar andere literatuur. De Hoge Raad heeft artikel 2:15 lid 1 BW (toen nog 2:11 BW-oud) al eens analoog toegepast, zie HR 15 maart 1985, NJ 1985/191.
[10] Deze kwestie valt buiten het bestek van het onderwerp van de notitie, zodat we vooralsnog volstaan met deze opmerking. We zijn desgewenst graag bereid onze visie op dit punt uit te werken.
[11] Zie Asser/Rensen 2-III 2022/466 en 467, met verwijzing naar literatuur en Parlementaire Geschiedenis.
[12] Daarom diende de uitspraak van de Generale Commissie voor de Behandeling van Bezwaren en Geschillen inzake het geschil van 73 zogenoemde vrij-beheer-gemeenten en de Nederlandse Hervormde Kerk slechts marginaal te worden getoetst: HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7818, NJ 2004, 559 m.nt. C.J.H. Brunner.
[13] Zie ook de door de gs vastgestelde ‘Handreiking met betrekking tot kerkrechtelijke, beleidsmatige en pastorale aspecten bij de opheffing van een plaatselijke gemeente’.
[14] Besluit gs 2019-2022.
[15] Zie uitvoerig, met verwijzing naar veel andere literatuur, T.J.T. van Kooten, t.a.p., hoofdstuk 11.
[16] Van Kooten, t.a.p., par. 11.2.2 en Tydeman-Youssef, t.a.p., par. 5.5.3.
[17] Zo’n besluit kan ook niet gelezen worden in het besluit om geen roepende kerk aan te wijzen. Gelet op het vergaande karakter van een besluit tot ontbinding en de ingrijpende rechtsgevolgen daarvan, kan zo’n besluit niet impliciet worden genomen. Bovendien is niets besloten over de vereffening (zie 2:23 e.v. BW), wat wel voor de hand zou hebben gelegen wanneer het de bedoeling was een ontbindingsbesluit te nemen.
[18] Dat zou dan uitzondering lijden voor zaken als emeritering, overkomst en vertrek van predikanten en classisexamens voor kandidaten. Ons is niet duidelijk wat de kerkrechtelijke grondslag voor die uitzondering is. Het is van tweeën één: of de classes kunnen niet meer legitiem bijeenkomen en dat geldt dan voor alle onderwerpen, of ze komen wel legitiem bijeen, in dat geval uiteraard ook voor alle onderwerpen.
[19] Voor de gs geldt overigens hetzelfde, zie art. 50 KO.
[20] Dat geldt bijvoorbeeld ook voor een zogenoemde lege besloten vennootschap (bv) die niet meer actief deelneemt aan het rechtsverkeer.
[21] De bezwaarde hervormde gemeenten die nu de Herstelde Hervormde Kerk vormen kunnen hierover meespreken. Zij meenden dat het niet meegaan in de fusie van de drie SOW-kerken op 1 januari 2004 ertoe zou leiden dat zij de voortzetting van de Nederlandse Hervormde Kerk zou zijn. In meerdere rechterlijke procedures kwamen zij bedrogen uit (mogelijk werden zij op het verkeerde been gezet door de dissertatie van J.J.H. Post, ‘Een sikkel in een vreemde oogst? De juridische verhouding tussen hervormde gemeenten en de Nederlandse Hervormde Kerk in het bijzonder bij kerkfusie’, diss. VU 2003). Zelfs het voeren van de naam ‘Hersteld Nederlandse Hervormde Kerk’ werd hen verboden: Rb. Arnhem 15 mei 2006, ECLI:NL:RBARN:2006:AX1570, r.o. 4.7: “Voorshands moet dan ook worden aangenomen dat de leden van de voormalige NHK die niet met de fusie wilden meedoen, zijn uitgetreden uit dit kerkelijk verband en vlak na de fusie van 1 mei 2004 een nieuw kerkelijk verband, de HHK, hebben opgericht. In hoeverre zij hiermee het gedachtegoed van de NHK hebben voortgezet is een kerkrechtelijke vraag, die in dit kort geding in het midden kan blijven”. Zie het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad en voorts Rb. Arnhem 24 mei 2005, ECLI:NL:RBARN:2006:AX4371 (“uit het voorgaande volgt dat de Gemeente in Hersteld Verband slechts een nieuw opgerichte rechtspersoon in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW kan zijn en dat zij om die reden niet de eigendom kan hebben van de goederen die aan de Hervormde Gemeente te Gameren binnen het verband van de NHK toekwam”). Weliswaar zijn er wat betreft de juridische vragen verschillen tussen het kerkstelstel van de voormalig Nederlandse Hervormde Kerk en de CGK, maar er zijn ook parallellen te trekken.
[22] Zie ook artikel 37 onder 2 KO over de procedure voor een besluit van de kerkenraad zich aan het kerkverband te onttrekken.


