Armen hadden in middeleeuwen meer rechten dan nu. En vertrouwen was de basis in de omgang met anderen.

et was een algemeen verbreid idee: de periode tussen 500 en 1500 was de tijd van de duistere middeleeuwen. Na de grootse cultuur van de klassieke oudheid raakte de Europese mensheid in verval. Het was een tijd zonder grote culturele ontwikkelingen en van wetenschappelijke domheid. Het was ook een maatschappij van uitbuiting, armoede en allerlei andere vreselijke toestanden. Gelukkig herontdekte de renaissance de klassieke cultuur en bracht de Verlichting het heldere licht van de rede, om aan al dit soort toestanden een eind te maken. We moeten de middeleeuwen maar snel achter ons laten en zelfs vergeten – het zijn niet voor niets de middel-eeuwen: een irrelevante tussenfase in de grootse Europese cultuur. Voor wie dat wil: de dominante positie van de kerk had daar natuurlijk van alles mee te maken.

Ondertussen is het beeld gelukkig bijgesteld. De middeleeuwen waren niet zo donker als verlichte geesten het wilden hebben. Ze hadden hun eigen cultuur, anders dan die van de oudheid en van de verlichting, maar minder?

Ook al wist ik dit wel, toch kwam ik kortgeleden tot een verrassing over de middeleeuwen. Dat was bij het lezen bij het boek Schurken en heiligen van John Dickson. Dat gaat over het gedrag van christenen door de kerkgeschiedenis heen. Daarin staat een stuk over de sociale regelgeving in het midden van de middeleeuwen. Inderdaad: er was sociale regelgeving in die tijd. En dat waren geen regels voor uitgebuite armen die nederig moesten zijn voor degenen die macht en geld hadden – met de pet in de hand voor de rijke heren. Integendeel. Ze gaan over de rechten van de armen. Inderdaad: rechten.

Sociale wetgeving diende om armen te beschermen. En dat strekt heel ver. Als een arme een rijke buurman heeft, dan deugt dat niet. De buurman heeft hem blijkbaar niet genoeg gegeven. Wie meer heeft dan hij nodig heeft, pleegt diefstal – en al helemaal als er anderen zijn die minder hebben dan ze nodig hebben. In zo’n geval kan de arme zijn rijke buurman zelfs aanklagen en de rechtshulp is gratis. Wanneer armen niet vragen, maar nemen is dat hun goed recht. Als je geen brood hebt voor je kinderen is stelen geen misdaad maar rechtzetten van onrecht.

Er waren ook regels voor de overheid om mensen te helpen – sociale voorzieningen. Daarop konden mensen een beroep doen. Ze moesten ruimhartig tegemoetgetreden worden. Als er vermoed werd dat mensen misbruik maakten van de voorzieningen, lag de bewijslast bij de uitkerende instantie. Die moest klip en klaar duidelijk maken dat er gefraudeerd werd. Als er enige twijfel was, moest de uitkering toch gegeven worden. Zo was er een regel: ‘In geval van twijfel is het beter te veel te doen dan in het geheel niets te doen.’

Hoezo duistere middeleeuwen? Je had toen als arme meer rechten dan nu. En vertrouwen gold als basis voor de omgang met anderen, in plaats van het wantrouwige verlichte ‘Eerst zien, dan geloven.’ Na de verlichte middeleeuwen heeft de Europese elite het licht uit gedaan en het kunstlicht van de eigen rede aangezet – dat alleen het eigen kringetje verlicht, vooral als die rede zulke grootse dingen heeft weten te ontdekken als digitale algoritmen. De middeleeuwen waren niet ideaal, maar anders. En de wetgeving was socialer dan die van de verlichting – en daar had die  vermaledijde kerk alles mee te maken. Toen bisschop Muskens zei dat iemand die geen brood heeft dat mag stelen, stond hij helemaal in lijn met de traditie van de kerk. Alleen zijn er nu te veel verlichte burgers die meer dan genoeg hebben – en dat dus verbieden.

Column van Bram van de Beek, verschenen in het Nederlands Dagblad op 2 maart 2024 en met toestemming overgenomen.

Deel dit artikel via

Ook interessant voor u