Als in de samenleving het gaat over de missionaire roeping van de kerk, dan heet dat nogal eens schamper ‘zieltjes winnen’. Wanneer politieke partijen of commerciële bedrijven hun best doen om hun boodschap uit te dragen, is daar kennelijk niets mis mee, maar wanneer de kerk in het openbaar spreekt over haar Heere Jezus Christus, dan is dat opeens verdacht. Dat gepraat over ‘zieltjes winnen’ geeft meteen aan dat ‘de wereld’ daarbij vooral denkt aan het gééstelijke aspect van de mens: de ziel. En laat dat nu ook de gedachte zijn die ik in de kerk tegenkom… De laatste aflevering van deze reeks over missionaire waarden gaat over de missionaire gerichtheid op de héle mens: ziel én lichaam.

In de Bijbel anders dan in de Griekse filosofie
Kerkgangers die in de traditie van de Reformatie en de Nadere Reformatie staan, zijn vertrouwd met het spreken over de ziel. Daar gaat het in de Bijbel immers ook vaak over. De wereld winnen, maar schade lijden aan je ziel, betekent in het verband van Mark. 8:36 verloren gaan.

Toch is het goed om vast te houden dat ‘ziel’ in de Bijbel niet hetzelfde is als de geestelijke en eeuwige ‘component’ van het mens-zijn. Zo is het wel vanuit de Griekse filosofie in ons denken terecht gekomen. De ziel is bij de Grieken het eeuwige levensbeginsel in de mens dat ‘gevangen’ zit in het lichaam. Bij het sterven raakt de ziel verlost van haar ‘verpakking’ en kan zij opstijgen naar haar oorsprong: het goddelijke oerbeginsel. Maar dat is dus heidens denken.

In de Bijbel betekent ‘ziel’ veel meer het gehele ‘ik’, met huid en haar, en niet alleen de ‘geestelijke kant’ van ons mens-zijn. Als het in Gen. 46:18 gaat over het baren van ‘zielen’, dan is wel duidelijk dat dat om complete baby’s ging die geboren werden, en niet om een soort geesten! En als de schrijver van Psalm 69:11 het heeft over zijn ‘ziel’ die vast tijdens de rouw die hij bedrijft, dan is duidelijk dat hij geen ‘spiritueel vasten’ bedoelt, maar gewoon dat hij niet eet.

Enige troost
Het is in dit verband goed om ook even te luisteren naar het begin van de Heidelbergse Catechismus. Als daar gevraagd wordt naar uw en jouw enige troost in leven en sterven, dan is het antwoord dat ik met ‘met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven’ niet van mijzelf ben, maar het eigendom van mijn trouwe  Zaligmaker Jezus Christus.

Ook hier is dus beleden dat het Evangelie van Christus niet beperkt is tot de ‘ziel’ als de geestelijke kans van ons mens-zijn, maar dat verlossing inclusief het ‘lichaam’ is. Het grote bewijs dat het God om de verlossing van de héle mens gaat, is dat Christus op het Paasfeest, niet ‘geestelijk’ maar lichámelijk is opgestaan. Zelfs heeft Hij, om dat te bewijzen aan Zijn leerlingen, lichamelijk gegeten om de gedachte weg te nemen dat Hij een soort geestverschijning zou zijn (Luk. 24: 36-43).

Missionaire partners
Wat betekent dit nu voor onze missionaire roeping? Ik denk onder andere dit: als het Evangelie betekenis heeft voor lichaam én ziel, zouden evangelisatieouderlingen en diakenen dan ook niet veel meer moeten samenwerken als ‘missionaire partners’? In veel kerken heerst de gedachte, en in elk geval is het de praktijk, dat evangelisatie en diaconaat niet zoveel met elkaar te maken hebben. Diaconaat is vaak intern gericht (de eigen gemeente) of op de verre naaste in bijvoorbeeld rampgebieden. Maar zouden kerken en kerkleden niet in hun omgeving niet én diaconaal en evangeliserend naar buiten kunnen treden?

In heel wat kerken hoor ik dan zeggen: maar onze plaatsgenoten hebben het goed, die zitten niet te wachten op de diaconie. Maar als we diaconaat nu eens breder opvatten? Zeker, diaconaat gaat over dagelijks brood, inkomen, kleding en praktische hulp. Maar hebben diakenen (letterlijk: ‘mensen die dienen) ook geen rol in de toerusting van de gemeente tot dienstbetoon (Ef. 4:12)? En is er in onze samenleving, dus ook buiten de kerk, geen grote behoefte aan allerlei dienstbetoon? Wie kijkt er om naar ‘hangjongeren’ en (ook dat komt voor) ‘hangouderen’? Wie kijkt om naar kinderen die wel een huis maar geen thuis hebben omdat hun ouders er niet voor hen zijn? Wie heeft oog voor de hoogopgeleide hardwerkende mensen die al jong in een burn-out terecht komen? Wie heeft oog voor geïsoleerde migranten op hun flatjes?

Lichaam en ziel dus
Wat ik voor ogen heb ik het voorbeeld van de Heere Jezus: Hij maakte de zorg voor lichaam (brood) en ziel (verkondiging) niet los van elkaar. Bij Hem was het een volmaakte eenheid, tot in het gebed toe dat Hij ons leerde: ‘geef ons heden ons dagelijks brood’ (het lichaam), ‘en vergeef ons onze zonden’ (het geestelijke leven).

ds Peter L.D. Visser

missionair consulent

Deel dit artikel via

Ook interessant voor u