Selecteer een pagina
Generic selectors
Alleen exacte overeenkomsten
Zoeken in de titel
Inhoudelijk zoeken
Zoeken in posts
Zoeken op pagina's
dlm_download
Generic selectors
Alleen exacte overeenkomsten
Zoeken in de titel
Inhoudelijk zoeken
Zoeken in posts
Zoeken op pagina's
dlm_download

prof. Selderhuis over CGK-crisis

Prof. Selderhuis sprak op de lande­lijke ambts­dra­gers­con­fe­rentie in Apeldoorn op zaterdag 30 maart. Dit is wat hij zei:

- - -

  1. Inleiding

Het was mij liever geweest als het comité mij gevraagd had een lezing over het gebed bij Calvijn te houden. Daar kun je namelijk mooie dingen over zeggen, dingen die niemand storen, die geen discussie geven, die je blij en gesticht naar huis laten gaan en dingen die op een bepaalde wijze ook buiten jezelf blijven. Maar nee, het moest over de toestand in de CGK gaan. Nu is daar ook best een mooi verhaal van te maken, met wat anekdotes, wat histo­rische infor­matie en wat medita­tieve opmer­kingen. Maar ook dat wilde het comité niet. Het moest over de actua­liteit gaan en over de toekomst. Dat vond ik trouwens zelf ook want dit is wel het onderwerp dat mij dagelijks bezig­houdt. En niet alleen dagelijks. Van Calvijns gebed lig ik niet wakker, van de geschie­denis van de CGK ook niet, maar wel slaap ik slecht van hoe het nu is en waar het naar toe moet. Het is crisis in de kerk en crisis betekent dat er wat gebeuren gaat, de ene kant of de andere kant op. In tijden van crisis hebben we niets aan vage verhalen maar moet er een verbinding zijn van bezinning en handelen. Ik hoop dat ik aan beide wat kan bijdragen.

 

  1. De situatie

Onze moeiten zijn vierderlei: synodaal, classicaal, plaat­selijk en inter­ker­kelijk. Ik hoef daar in dit verband niet veel over uit te wijden want wij weten waar het over gaat. Het gaat om moeilijke dingen. Het gaat niet meer om wat wij wel en niet zingen. Het gaat niet meer om welke vertaling gebruiken wij wel en welke niet. Het gaat om wat de Bijbel - in welke vertaling ook – wel en niet zegt over vrouw en ambt, over homofiele broeders en zusters, over de leer zoals die in de belij­denis is verwoord, en over hoe je vandaag kerk en kerkverband kunt en moet zijn. En in die moeiten zijn wij als chris­telijk-gerefor­meerden niet alleen maar samen met andere kerkver­banden met wie wij ook samen zijn in die andere moeite van het terug­lopen van kerkbezoek en ledental, het verdwijnen van gemeenten en in de vraag hoe om te gaan met de nieuwe plaats die de chris­tenheid als minderheid in dit land moet gaan innemen. In mijn lezing gaat het om het eerste, de moeiten in de CGK maar ik wil proberen op die moeiten in te gaan in het licht van het tweede, de ontwik­ke­lingen in het geheel van kerkelijk Nederland en van Nederland zelf.

 

  1. De achter­grond is de uitweg

a. Geestelijk
Ik wil het thema niet vergees­te­lijken of op een quasi-geeste­lijke wijze onder de mat schuiven maar ik wil wel beginnen te zeggen dat onze problemen aller­eerst geestelijk van aard zijn. De moeite elkaar te begrijpen, de moeite geduld met elkaar te hebben, de moeite offers te brengen ter wille van de ander, de moeiten die we hebben met het krijgen van ambts­dragers, het bezoek aan de middag­diensten en als vervolg daarop bezoek aan de morgen­dienst, gaan volgens mij terug op geeste­lijke moeite. Het eerste deel van de catechismus willen we nog wel erkennen, het tweede deel is ook mooi – zo mooi dat het hier en daar in de kerk haast zonder het eerste deel lijkt te kunnen bestaan – maar wie bekommert zich om het derde deel? Het leven in de dankbaarheid, in de veroot­moe­diging, in de toewijding, de ijver voor de kerk van de Here, in de overgave die opbloeit uit de persoon­lijke kennis van Hem die zich tot in de dood voor ons overgaf. U zult dat meteen met mij eens zijn en u kunt net als ik velen aanwijzen die aan deze overgave gebrek hebben. En u vindt misschien net als ik dat als iedereen in de kerk maar zo dacht en deed als ik, er helemaal geen probleem zou zijn. Maar, ik wil eerlijk zeggen dat ik die geeste­lijke moeite bij mijzelf ook wel tegenkom, dat gebrek aan inzet en ijver, dat gebrek aan besef als verloren mens door God in genade te zijn aange­nomen. Ik wil hier in het kader van het thema van nu niet te lang bij stil staan, maar ik kan het juist in het kader van dit thema ook niet ongezegd laten.

b. Histo­risch
Bezig zijn met kerkge­schie­denis is een zeer rustge­vende bezigheid. Het bewaart namelijk voor paniek als het in de kerk soms niet zo geweldig gaat want er zijn in het verleden al zo vaak van die situaties geweest maar de Koning der Kerk heeft toch steeds weer voor Zijn gemeente gezorgd. Kerkge­schie­denis maakt trouwens ook wel wat kopschuw voor ontwik­ke­lingen en gedachten die nieuw lijken maar die de kerk in eerdere fases al heel wat ellende hebben bezorgd. Kerkge­schie­denis maakt ook actief want eerdere fases laten zien dat er soms wel aangepakt en ook doorgepakt moet worden om de kerk in Bijbels spoor te houden. Kerkge­schie­denis maakt ook wel bescheiden want veel conflicten in de kerk hadden meer met botsende karakters dan met botsende stand­punten te maken. Ik zeg niet dat meer kennis van kerkge­schie­denis ons minder problemen zou geven maar het zou ons wel helpen beter met die problemen om te gaan. Dan kun je ook zien waar komen die chris­telijk-gerefor­meerden nu eigenlijk vandaag? Hoe tikken ze? Waarom doen ze zo? Voor mensen die vanuit andere kerken naar de CGK komen is die kennis wel van groot belang. Ik wil dat naar twee kanten uitleggen. Volgens mij is het niet zo verwon­derlijk dat de druk op het kerkverband, die er al lange was maar nu versterkt werd door reacties op het GS-besluit over homofilie en nog meer door plaat­se­lijke besluiten af te wijken van wat we samen hebben besloten over vrouw en ambt vooral komen uit samen­wer­kings­ge­meenten en met name CGKV gemeenten dan wel gemeenten met een groot aantal leden afkomstig uit de GKV. De spiri­tu­a­liteit eigen aan de CGK is die van bevinding en van een prediking gericht op de vraag naar het leven in de vreze des HEEREN. De spiri­tu­a­liteit in kerken voort­komend uit de Vrijmaking is die van aanpakken en doorpakken en van een prediking gericht op de vraag naar het leven als gelovige. Voor mij zijn dat alle twee vormen van gerefor­meerde spiri­tu­a­liteit die bij elkaar horen, die elkaar kunnen versterken en elkaar in balans kunnen houden. Maar dan moet er wel sprake zijn van weder­zijds begrip maar vooral van evenwichtige integratie en volgens mij ligt daar een probleem. Daarmee wil ik niet zeggen dat ´de vrijge­maakten´ de schuld zijn van de problemen in de CGK want veel van de vraag­stukken waar we nu mee worstelen waren er al voor er CGKV-gemeenten waren maar ik wil wel zeggen dat de actie-geest uit de Kuype­ri­aanse traditie hier en daar de boventoon is gaan voeren en dat het CGK-gedeelte daar niet tegen bestand bleek. Het maakt wel degelijk een verschil of je als gemeente tien leden uit de ger.gem overkrijgt of dat je er tien uit de GKV bij krijgt. Tegelijk wil ik niet in een ´wij-en-zij schema´ terecht­komen, want de variatie die er binnen de CGK al meer dan een eeuw is maakt dat zo´n schema helemaal niet werkt. Bovendien zijn de vraag­stukken die ons nu zo bezig­houden en bedrukken evengoed in andere kerkver­banden aan de orde, en werden discussies over vrouw en ambt in de CGK ook al gevoerd voordat ook maar één vrijge­maakte er aan dacht een stap binnen een CGK te zetten, ja werden die discussies ons juist van GKV-zijde verweten. Ik wil dus geen schul­digen aanwijzen maar wel wijzen op een verschil in spiri­tu­a­liteit en stellen dat als we dat niet onder ogen zien en bespreekbaar maken, we elkaar binnen de gemeente en ook als kerken in één verband steeds verder uit het oog verliezen.

c. Kerkrech­telijk ( wat nut u een kerkverband)
Een belang­rijke vraag in het geheel van deze discussie is: wat nut u een kerkverband´? Er is geen Bijbelse opdracht tot het vormen van een kerkverband maar de chris­te­lijke gemeenten hebben in navolging van de gemeenten die ons in de Schrift beschreven worden al vroeg ingezien dat het goed is met elkaar verbonden te zijn om elkaar te helpen. Dat is dan ook de motivatie geweest voor het ontstaan van de katho­lieke kerk met katholiek in de betekenis van de Aposto­lisch Geloofs­be­lij­denis. Dat was ook de motivatie om na de Refor­matie bij de weder­opbouw van de kerk toch weer een kerkverband te organi­seren waarbij de afspraak was elkaar te helpen in alle opzichten, dingen samen te doen die je alleen niet redt en elkaar te dienen bij de verbreiding van het Evangelie naar binnen en naar buiten en elkaar bij dat Evangelie te bewaren. Basis­principe daarvan was steeds tweeërlei: we treden niet in elkaars rechten maar aan wat gezamenlijk besloten wordt houdt zich dan ook ieder. Besluiten nemen we op democra­tische wijze namelijk de meerderheid beslist. Deze verbinding van vrijheid en gebon­denheid, gaat terug op het beginsel dat lid zijn van een kerkverband berust op vrijwillige toetreding. Dat komt in ons geval eenvoudig hierop neer dat niemand verplicht is chris­telijk-gerefor­meerd te zijn. Wil je dat wel zijn, dan kun je rekening op alles waar je volgens afspraak recht op hebt, maar het is dan ook je plicht je te houden aan elke gezamen­lijke afspraak. Dit vrij eenvoudige principe past niet bij een houding van ´ik maak zelf wel uit wat goed voor mij is´, een houding die ons in het paradijs al in het verderf heeft gebracht. Dit principe betekent naar de ene kant dus dat het niet maar onfat­soenlijk maar onker­kelijk en naar mijn gedachte zondig is als besluiten die we biddend, bij een open Bijbel en na overleg samen genomen hebben, naast je neer te leggen. Dit principe betekent naar de andere kant dat het even onker­kelijk en naar mijn gedachte zondig is het kerkverband te gebruiken om een ander mijn wil op te leggen. Bij de thema´s die nu onder discussie zijn, gaat het om onder­werpen waarover we met elkaar biddend de Bijbel geopend hebben. Dat geldt ook voor het moeilijk thema van homosek­su­a­liteit waarbij het zo gemak­kelijk is onbedoeld broeders en zusters te bescha­digen. We hebben over deze onder­werpen veel gesproken en tenslotte over besloten vanuit de houding: wij geloven dat dit is wat de HEERE over dit thema zegt en daar willen wij ons aan houden. Daar was het kerkverband voor bedoeld. Samen de Schrift onder­zoeken, leren van elkaars inzichten, samen een besluit nemen en vervolgens elkaar bij die Schrift bewaren. Het mooie van het gerefor­meerde kerkrecht is dat het zich kenmerkt door flexi­bi­liteit, dat wil zeggen dat je de manier waarop je de dingen regelt kunt veran­deren als je het daar samen over eens bent en dat laatste betekent gesprek, overleg maar ook de houding van luisteren en van accep­teren dat het niet altijd gaat zoals ik wil. De geschie­denis van het gerefor­meerde kerk laat daarbij een pendel­be­weging zien waarbij soms de pendel uitslaat naar de plaat­se­lijke gemeente en dan weer naar het kerkverband. Goed is dat te zien aan de geschie­denis van de Gerefor­meerd Kerken vrijge­maakt. In 1944 werd de nadruk op de plaat­se­lijke gemeente gelegd en werd afstand genomen van een te groot gezag van de synode, in de jaren zestig sloeg het om naar de andere kant reden waarom de Neder­lands Gerefor­meerden kozen voor een model met veel ruimte voor de plaat­se­lijke gemeenten. Nu hangt de pendel daar ook weer bij de GKV en lijkt verder door dan dat ooit bij de NGK het geval was, met alle gevolgen van dien. Ik begrijp die reactie op een kerkvisie die elke deur kramp­achtig dicht­hield, die voortkwam uit een benau­wende en onrefor­ma­to­rische visie op gerefor­meerd en die door de dwang­ma­tigheid bij de eigen mensen veel frustratie en bij anderen veel pijn en verdriet heeft opgeleverd. Mooi dat je daarvan los komt maar om nu even kramp­achtig en dwang­matig de andere kant op te gaan, levert opnieuw niets op dan alleen schade. Zeker als je opnieuw vindt dat anderen het – weer! - net zo moeten doen als jij, een visie en houding die zeker in CGKV-gemeenten een rol speelt.

Bij de CGK duurt alles een klein beetje – en volgens sommigen zelfs heel veel - langer en loopt de klok en dus ook de pendel wat langzamer. In 1892 beriepen we ons op het recht van de plaat­se­lijke gemeente en in de afgelopen jaren is de pendel meer bij de synode aange­komen. Je kunt wel van de geschie­denis leren dat als je de balans terug wilt, je dit niet met geweld moet doen, niet met synodaal geweld maar ook niet met plaat­se­lijke geweld. Gerefor­meerd kerkrecht betekent niet heersen over elkaar en betekent wel dat ik – nogmaals vrijwillig - iets inlever van mijn zelfstan­digheid en dan ik toesta toe dat anderen mij bij de les houden en als nodig mij de wacht aanzeggen. Tegelijk is een kerkverband een hulpmiddel waarvan je kunt zeggen ik heb die hulp niet nodig. Maar het is wel een hulpmiddel waardoor ik een ander kan helpen, een hulpmiddel dat in de loop der eeuwen zijn nut bewezen heeft. Maar mogelijk ook een hulpmiddel dat aan update toe is waarbij dan de boodschap geldt die ik af en toe op het beeld­scherm van mijn computer zie, namelijk dat ik even moet wachten en dat ik de computer niet moet afsluiten want er zijn updates aan de gang. En die duren soms knap lang.

Hoe dan ook is het in de huidige situatie zo dat een kerk die zich bewust niet houdt aan afspraken die samen met anderen gemaakt zijn, zich feitelijk buiten het kerkverband plaatst. Concreet gezegd: kerken­raden die bijvoor­beeld besluiten toch vrouwe­lijks ambts­dragers te gaan benoemen en beves­tigen, en die zich niet laten tegen­houden door hun kerkverband en het gesprek over hun houding alleen willen onder voorwaarde dat de andere kerken met hun keuze instemmen, moeten het niet vreemd vinden als het kerkverband deze houding gaat beves­tigen en de geloofs­brieven vanuit deze kerken­raden niet langer aanvaard. Dat kan triest zijn, maar zo zit een kerkverband nu een keer in elkaar. De CGK is nu eenmaal niet de PKN. Daarmee zeg ik niets over de PKN maar zeg ik wel dat het om twee verschil­lende kerkmo­dellen gaat. En het CGK-model staat genoemde acties gewoonweg niet toe.

d. Refor­ma­to­risch
De CGK wil een gerefor­meerde kerk zijn. De zorgvul­digheid waarmee wij dat ene ´e-tje´ bewaken zou ons bij de les moeten houden. Niet een chris­telijk gerefor­meerde kerk, dus niet een kerk die op een chris­te­lijke wijze gerefor­meerd is, maar een chris­te­lijke gerefor­meerde kerk, dus een kerk die chris­telijk is maar dat chris­te­lijke vorm en inhoud geeft vanuit de gerefor­meerde traditie dat is in binding aan de gerefor­meerde belij­denis. En nu is de vraag of wij nog verstaan wat dat ´e-tje´ betekent, kortom of wij nog weten wat gerefor­meerd is. Gerefor­meerd dat is toch met de oude trits: sola gratia, sola scriptura en sola fide. De Schrift als norm en de Schrift als bron. Dat tegenover een visie dat de traditie gelijk staat aan de Schrift en dat terwijl het ook onder ons soms lijkt alsof de traditie niet maar gelijk gezag heeft als de Schrift maar zelfs nog hoger staat dan de Schrift. De wijze waarop Luther en Calvijn met tradities omgingen zou hen vandaag verdacht hebben gemaakt. Wij prijzen hen en houden hen hoog in ere, wij citeren Luther en Calvijn graag, maar als we hen echt zouden volgen in hun gehoor­zaamheid aan de Schrift en hun kritische omgang met tradities, zou menigeen die zich gerefor­meerd noemt er een hartver­zakking van krijgen. Misschien hebben we daarom het begrip gerefor­meerd wel ingeruild voor refor­ma­to­risch. Vroeger was dat hetzelfde maar tegen­woordig is refor­ma­to­risch toch de upgrade van gerefor­meerd. Gerefor­meerde doet teveel denken aan synodalen en vrijge­maakten en dat soort, maar refor­ma­to­risch zijn de echten die Refor­matie en Nadere Refor­matie weten te verbinden en dat zo weten te doen dat anderen meteen al schrikken bij het horen van ´refor­ma­to­risch´. Dat zijn de engerikken die in een reservaat op de Veluwe wonen. Wat is gerefor­meerd? Hetzelfde als refor­ma­to­risch. Het zijn synoniemen en dat wil zeggen dat ze dezelfde inhoud hebben. Refor­ma­to­risch betekent niet tradi­ti­o­na­lis­tisch, maar open voor veran­dering en vernieuwing in gebon­denheid aan de Schrift. Die gebon­denheid aan de Schrift is ander­zijds ook het wapen tegen alles wat het gezag van die Schrift aantast. Gerefor­meerd is niet wat ons nu als de vrucht van nieuwe herme­neutiek wordt voorge­steld. Gerefor­meerd is niet degene die zegt dat wij het nu beter weten dan Paulus. Gerefor­meerd is wel luisteren naar de Schriften, gehoorzaam zijn aan de Schriften ook als de Schrift heel anders spreekt dan wat ik wil horen, en anders dan wat past bij de huidige cultuur. Als je anders tegen de Schrift aan wilt kijken dan wat de gerefor­meerde belij­denis over de Schrift zegt, zeg dat dan eerlijk maar noem jezelf dan niet gerefor­meerd.

Dat ene ´e-tje´ van de CGK-ers vertelt ook dat zij bij het beginsel ´sola fide´ leven. Daarin zit alles wat met geloof te maken heeft. Daarin zit die rijke traditie van het leven in de vreze des Heeren, dat leven waar de Psalmen maar ook de Gezangen, en waar ook de bundel Opwekking ns zo rijk van laat zingen. Geloof, dat is toch de band aan Christus, het leven met God, het leven uit de Geest, dat is toch het geloof dat het door God gegeven middel is een mens behouden wordt. Is dat misschien wat we kwijt geraakt zijn? Het besef dat een mens behouden moet worden en dat wij dus zonder geloof verloren gaan. Gerefor­meerd is toch dat waarin de confessie de Schrift naspreekt als het gaat over eeuwig leven en eeuwig sterven, over hemel en hel, over vrijspraak en oordeel. Zeker, we kunnen zo over geloof spreken en preken dat het onaan­trek­kelijk wordt, dat het onbereikbaar wordt, dat het onmogelijk wordt om aan behoud te denken. Wie die kant op wil moet maar eens lezen wat de refor­ma­to­ri­schen van de Nadere Refor­matie en Puriteinen daar echt over geschreven hebben. Maar veel erger nog is dat de noodzaak van geloof niet eens meer genoemd wordt en zoveel gesproken en gezongen wordt over hoe mooi het is dat ik geloof dat mijn geloof meer eer krijgt dan mijn God, en de vraag of ik wel het ware geloof heb niet eens meer gesteld mag worden. Dan gaat het dus ook over de preek en dat zijn we wel kwijt­ge­raakt. Gerefor­meerd was dat we op kerke­lijke verga­dering eerst maar eens naar een preek luisterden en die met elkaar bespraken. Het zou ons goed doen om voordat we verder gaan elkaar te bestoken en elkaar te verlaten, appels te behan­delen en verkla­ringen van kerke­lijke ongehoor­zaamheid voor te lezen, eerst maar eens samen naar een preek gingen luisteren. Dan hoor je ook eens een preek van iemand die je echt zondag op je preek­stoel niet zou uitno­digen, en kun je er rustig over spreken en nagaan of dat wel terecht is.

Bovendien is juist dit gerefor­meerde ´sola fide´ ongekend missi­onair en dat is toch waar we vandaag zoveel mee bezig moeten zijn. In dit land waar zovelen zonder kennis van God opgroeien, waar zoveel kerken sluiten, waar zoveel gedoopte mensen afscheid van God, kerk en geloof nemen, waar zoveel mensen toevlucht vinden in een land waarin het Evangelie nog vrij verkondigd mag worden. In die situatie zou daar ons gezamenlijk speerpunt moeten liggen. De oproep tot geloof, het onderwijs in geloof, de geloofs­op­voeding, kortom boodschap van Christus naar binnen en naar buiten. En in die situatie vraag ik mij echt af of vrouw en ambt nu het thema is dat ons verder helpt, of dat nu het thema is dat ons missi­onair sterker maakt, even los van de vraag of dit nu het thema is waar de Schrift ons ruimte voor laat. Ik heb in de wereld nog geen kerk gezien die missi­onair sterker werd door de invoering van vrouwe­lijke ambts­dragers. Andersom wel, overigens.

En dan als derde ´sola gratia´. Dan gaat het alleen nog maar over God. Genade, daar is dus niets van ons bij en juist dat zou ons in deze tijden van kerke­lijke verwarring ootmoedig moeten maken. Dat er een kerk is waarin we met elkaar moeilijk kunnen doen is dankzij de genade van God. Zou dat ons al niet tot een andere houding moeten brengen. Ik hoorde van een versie van het lied ´Amazing grace´ waarin gezongen werd: I once was lost but now I´ve found. Now I have found, nou dat zou je willen, of beter, je zou het niet willen want wij vinden God niet omdat wij Hem niet zoeken. Gerefor­meerd is : but now I´m found. I am found. Dan gaat het over verkiezing, over de rijkdom die in de Dordtse leerregels beschreven wordt. Daar gaat het niet over de wens ooit eens gevonden te worden maar om de zekerheid van het gevonden zijn. Die zekerheid maakt gerefor­meerd zijn zo aantrek­kelijk en zo activerend, dat gevonden zijn maakt gerefor­meerden zo rijk en zo nederig. Dordt spreekt zo mooi over de verschil­lende wegen waarop God mensen in die genade laat delen. Dat Hij met ieder van Zijn kinderen een eigen weg gaat. Dat is de variatie in Gods gezin, een variatie die eigen is aan de gerefor­meerde traditie. Bekijk ze maar eens wie daar allemaal op dat schil­derij het lich op de kandelaar staan, bekijk ze maar eens wie daar in 1571 in Emden bij elkaar kwamen, bekijk ze maar eens wie daar 400 jaar geleden in Dordt bij elkaar zaten en ons een kerkorde en een Bijbel­ver­taling bezorgden. Een variatie nog groter dan in de CGK, een variatie nog breder dan PKN, GKV Ger.Gem etc in één kerkverband. Die variatie kon er zijn omdat men wist wat wezenlijk is, omdat men wist wat de één aan de ander bond namelijk: ik heb de genade Gods minstens net zoveel nodig als jij.

 

  1. Het einde?

Wij zijn maar een klein kerkje maar we hebben wel altijd een behoorlijk grote broek aan getrokken. Wie sinds ons begin de synodale verslagen leest, kan slechts tot één conclusie komen: wij zijn de ware kerk. Nu moet er toch één de ware zijn en waarom zouden wij dat dan niet zijn, maar hier gaat het toch om iets anders. Ons synodale beleid is sinds 1892: wij vrijen met velen maar trouwen met niemand. Het aantal relaties dat wij op dit moment onder­houden is dusdanig dat het in principe mogelijk is dat binnen de termijn van twee zondagen predi­kanten van vier verschil­lende kerken voorgaan zondag dat er één CGK-dominee bij is. Ik ken helaas geen gemeente waar deze variatie op de preek­stoel zichtbaar is maar veelzeggend is wel dat wij aan vele partners het hoge Woord van God tover­trouwen maar met geen van deze partners willen trouwen. Blijkbaar zijn wij ander­zijds wel aantrek­kelijk voor anderen en dat heeft ook wel iets moois, maar breken ons deze kerke­lijke LAT-relaties nu niet op? Of laat ik het anders zeggen: zijn wij wel eerlijk naar anderen toe en naar onszelf?

De situatie die we als CGK geschapen hebben geeft el iets weer van hoe het in den beginnen is geweest, namelijk de variatie van de refor­ma­to­rische traditie binnen één kerkverband. Er is geen kerk in Nederland met zoveel vaste relaties met anderen als wij, en daarom is er ook geen kerk die zich zo zou moeten beijveren ons jaren­lange quasi-oecume­nische geknutsel tot een einde te brengen en bereid te zijn het eigen kerkverband op te heffen of in ieder geval ter discussie te stellen.

Wij zijn maar een klein kerkje maar wel een mooi kerkje. Wat dat betreft vind ik ´onze kerken´ nog steeds het einde – want die betekenis zit ook in mijn titel. Een kerk die nog bij het Woord en bij de belij­denis bewaard mocht blijven. Een kerk waarin velen onderdak vonden en waar vandaag weer velen onderdak vinden die vaak met zorg en verdriet hun eigen kerk verlaten. Een kerk die het nooit op de spits dreef maar steeds zocht te verbinden. Een kerk die al heel wat bidstonden vooraf­gaand aan synodes voorbij zag komen. Een kerk van ´zou het wel goed gaan` en als ze elkaar zagen dan zeiden: ach zo beroerd ben jij nu ook weer niet. Een kerk waarin gezocht werd en wordt hete hoofden te vermijden maar de harten warm voor God te krijgen. Een kerk waarin de mensen niet opgejaagd maar bij de Goede Herder gebracht worden. Staan al die goede dingen nu op het spel? Of laat ik het anders zeggen: zetten wij al die dingen nu op het spel?

Dat wil niemand. Ook niemand in een CGKV gemeente en niemand in een Bewaar-het-Pand gemeente. Niemand in de CGK Barend­recht en niemand in de CGK Zwolle. Maar als dat zo is hoe voorkomen we dan dat we het wel verliezen? Dat werkt niet via een kerke­lijke verga­dering, ook niet via een kerkvi­si­tatie, ook al niet omdat ook veel ambts­dragers niet goed weten wat die organen eigenlijk inhouden. Die kerke­lijke verga­de­ringen en die kerkvi­si­tatie moeten er wel zijn maar vooral moet er zijn een gezamenlijk luisteren naar de Schrift, een gezamenlijk gesprek en het gezamenlijk gebed. Maar wat zeg ik over ´moeten´? Het is een woord dat niet bij onze traditie past. En ik moet al zoveel tegen­woordig? Maar vooral: wat zeg ik over wat wij moeten. De kerk dat ben ik zelf. Niet in de zin van dat ik wel bepaal hoe het moet gaan en dat als ik mijn zin niet krijg, ga ik weg. Daar gaat elke gemeente aan kapot. Maar wel in de zin dat ik eerst maar eens naar mij zelf moet kijken. Zingen met Ps. 55 over het geroep des vijands dat mij doet beven is niet zo moeilijk. Maar ernst maken met Psalm 139 en beven onder de vraag of er bij mij misschien wel een verkeerde weg is, is moeilijker maar wel beter voor de kerk.

En dan gaat het niet over ´onze´ kerken of over ´mijn´ kerk. Die kerk is namelijk niet van ons en al helemaal niet van mij. Het is zoals dat gezang zo mooi bezingt: de ware kerk des Heren en daarvan mag en wil ik een levend lidmaat zijn. Dat moet ons zo voorzichtig maken in de omgang met de kerk. De kerk is niet een club waar wij onze experi­menten op los laten en ook niet de kluis waarin wij onze tradities bewaren, maar is het levende lichaam van Christus. Het is die kerk – en niet alleen een cgk - die het in Nederland verschrik­kelijk moeilijk heeft, die kerk waaraan de satan met succes lijkt te sjorren en te trekken. Het is die kerk – en niet alleen een cgk - waarin morgen mensen zitten die zich zorgen maken over hun gemeente, die verdriet hebben omdat er zoveel veranderd of omdat er helemaal niets veranderd. Het is die kerk – en niet alleen een cgk - waar morgen vaders en moeders zitten die verdriet hebben over kinderen die niet meer naar de kerk gaan. Het is voor die kerk dat wij ambts­drager willen, dienaren, opzieners, herders, volge­lingen van de Heer van die kerk.

 

  1. Tot slot

In het begin zei ik: Het is crisis in de kerk en crisis betekent dat er wat gebeuren gaat, de ene kant of de andere kant op. De CGK wordt straks in kritieke toestand naar de GS gebracht, maar velen zien de GS slechts als een vlucht­heuvel waar je even kunt verpozen maar van waaruit je toch moet oversteken of teruggaan. Anderen zien de GS als een monument dat veel zegt over het verleden maar waar geen leven in zit. De GS bestaat ook niet, de GS dat zijn de kerken, de mensen, dat zij wijzelf die als het goed is in leven en sterven niet van onszelf zijn maar eigendom van Jezus Christus en dus niet onszelf maar de eer en verbreiding van Zijn Naam zoeken. Het zou beter zijn dat we deze kerk in kritieke toestand bij de Here Jezus zouden brengen. De Heiland, Hij die de dingen heel maakt. Die voor eenheid zorgt. Eenheid die niet ken koste van de waarheid gaat. En als we dat zouden doen dan zien we bij Hem niet de enigen zijn en ook niet de eersten zijn. In de wacht­kamer van de Heiland is het vol van kerken in kritieke toestand. De één mankeert dit en de ander weer wat anders maar zonder Hem zijn we allemaal – vrijge­maakten en hervormden, cgk´ers en ger.gemmers, refor­ma­to­ri­schen en evange­li­schen, protes­tanten en katho­lieken, zonder de Heiland zijn we en gaan we allemaal verloren. Zou dat besef ons niet dichter bij Hem en bij elkaar kunnen brengen? Ik geloof van wel en daarom zou ik zeggen: zet de besluiten op de pauzeknop, ga met elkaar in gebed en dan in gesprek, want het is als in een huwelijks­crisis waar het moment komt dat je niet meer met elkaar praat, dat point of no-return. En als je een keer uit elkaar bent, komt het nooit meer goed. Ik kan slechts voor mezelf spreken maar ik wil niemand missen, of iemand nu lid is in Nieuwegein of in Nieuw­poort, ik wil niemand missen, geen CGK´ér en geen NGK-er, geen bonder en geen vrijge­maakte. We kunnen het ons niet veroor­loven nog meer te breken. Tegenover de Schrift niet, tegenover de geeste­lijke en kerke­lijke nood in ons land niet, tegen over elkaar niet, maar vooral tegenover de HEERE niet.

 

 

Print Friendly, PDF & Email