In de afgelopen maanden werd in verband met oplopende spanningen in de kerken steeds nadrukkelijker de vraag gesteld naar de mogelijkheid om op een meerdere vergadering de geloofsbrieven van een gemeente die zich niet in alles houdt aan eerder gemaakte kerkelijke afspraken te weigeren, met als gevolg dat die gemeente de facto geen deel van het kerkverband meer uitmaakt. In deze notitie willen we als deputaatschap enkele kerkrechtelijke lijnen trekken rond die vraag. Om dat te kunnen doen nemen we ons uitgangspunt een stapje dieper, namelijk in een paar opmerkingen over wat we belijden van de kerk. Vandaaruit is er iets te zeggen over het kerkverband, en tenslotte over de geloofsbrieven en de eventuele mogelijkheid die niet te aanvaarden met als gevolg dat een plaatselijke kerk niet langer deel uitmaakt van het kerkverband.
1. Over de kerk
Als er in de Heidelbergse Catechismus in Zondag 21 gevraagd wordt: ‘wat gelooft u aangaande de heilige katholieke Kerk?’, dan luidt het antwoord: ‘Dat de Zoon van God van het begin der wereld tot aan het einde Zich uit de gehele mensheid een gemeente, die tot het eeuwige leven is uitverkoren, door zijn Geest en Woord in de eenheid van het ware geloof vergadert, beschermt en in stand houdt; en dat ik daarvan een levend lid ben en eeuwig zal blijven’. Het zijn prachtige woorden, woorden om je een leven lang aan vast te klampen. En woorden die de enig mogelijke toon aangeven die past bij een spreken over de kerk. Een hoge toon: de kerk is geen vereniging, geen organisatie die wij zelf bedacht hebben, laat staan iets waarover wij zeggenschap hebben; de kerk, dat is dat de Zoon van God, onze Here Jezus Christus, Zélf Zich een gemeente verzamelt, en die voor altijd beschermt en onderhoudt – en dat ik, uit puur genade, bij die gemeente mag horen.
Op deze toonhoogte spreken over de kerk kan niet zonder gevolgen blijven voor hoe je omgaat met de kerk. Dat zie je terug in wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt als het daar gaat over de kerk, in art. 27 e.v. ‘Wij geloven en belijden’, staat daar, ‘een enige katholieke of algemene kerk, als heilige vergadering van de waarlijk gelovige christenen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus, gewassen zijn door zijn bloed en geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest’. Maar wij geloven ook, als gevolg daarvan, dat ‘aangezien deze heilige vergadering en gemeente de vergadering is van hen die behouden worden en er buiten haar geen heil is, dat niemand zich afzijdig mag houden’, maar dat ‘allen zich bij haar behoren te voegen’ en dat ‘alle gelovigen zich overeenkomstig Gods Woord horen af te scheiden van hen die niet tot de kerk behoren’. Met andere woorden: je voegen bij de kerk van Christus, en je afzonderen van wat niet de kerk van Christus is, is geen vrijblijvende keuze. Art. 28 zegt: ‘daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen in strijd met Gods verordening’.
2. Over het kerkverband
Deze toon is ook de toon die het gereformeerd kerkrecht probeert te halen, en het is de toon die je terughoort in de manier waarop onze gereformeerde kerken zich aan elkaar hebben verbonden. Op de synode van Emden (1571) werd voor het eerst door de Nederlandse kerken uit de Reformatie een kerkelijke organisatie afgesproken. Als voornaamste motief voor het houden van de synode noemde de oproepingsbrief dat de kerkelijke eenheid strekken zou tot Gods eer en tot de opbouw van zijn gemeente. De organisatie van de kerken die daar werd afgesproken werd niet door de synode opgelegd, maar door de kerken met algemene instemming goedgevonden. Dr. H. Bouwman zegt: ‘immers, de Gereformeerden waren één in belijdenis, hun eenheid rustte daarop, en al wat op het stuk van de kerkregering uit Gods Woord was afgeleid was reeds aanvaard. (…) Omdat de kerken één zijn in Christus, één in belijdenis, en zij geroepenzijn die eenheid naar buiten zooveel mogelijk in praktijk te brengen, hebben zij samen ook de bevoegdheid ordeningen te maken, die, in onderwerping aan Gods Woord en de gemeenschappelijke belijdenis, als regel gelden voor het leven en welzijn der gezamenlijke kerken’ (Gereformeerd Kerkrecht II, blz. 4).
Naar hun overtuiging waren zij daarmee niet alleen in het spoor van de belijdenis, maar ook van de Schrift. Bouwman: ‘De kerk is een heilige vergadering van de ware gelovigen, ze bestaat uit mensen die vergaderd en toegebracht zijn door Christus en door zijn Woord en Geest geregeerd worden. Christus Zelf bouwt de gemeente op het fundament van apostelen en profeten, Hij is het Hoofd, de gemeente is zijn lichaam. En elke plaatselijke kerk is wel een zelfstandige, complete kerk, maar uit kracht van haar geboorte uit Christus niet dé kerk, maar slechts een openbaring van Christus’ kerk op een enkele plaats. Ze is daarom geestelijk gedacht één met de ganse kerk over de gehele aarde. De verplichting om met andere kerken zich te verbinden klemt in het bijzonder als ook op andere plekken de kerk zo tot openbaring is gekomen dat ze als kerk van Christus herkenbaar is en belijdenis doet van hetzelfde geloof’ (blz. 5).
Als dat laatste zo is (dat een andere kerk óók als kerk van Christus herkenbaar is en belijdenis doet van hetzelfde geloof), dan moet je elkaar zoeken, zegt onze belijdenis, en deden onze gereformeerde voorvaders. Dat blijkt ook uit de regels die in Emden werden opgesteld. Naast het fundamentele beginsel van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk (art. 1 zegt dat geen kerk of dienaar over de ander heerschappij zal voeren), kent Emden nog een ander beginsel, namelijk dat van de eenheid van deze kerken, de unitas ecclesiarum. Prof. J. Hovius heeft in zijn ‘Notities betreffende de synode te Emden, 1571‘ laten zien dat een modus daarvoor lag in het kerkverband, waarin zowel de zelfstandigheid als de eenheid tot hun recht konden komen. Alle bepalingen die dienen om de eenheid te bewaren hebben betrekking op de eenheid in geloofsovertuiging naar de belijdenis, in andere dingen zijn de kerken vrij.
Vrijwilligheid
De grond voor het kerkverband was dus voor de gereformeerden ten eerste het in de Schrift geopenbaarde recht van God, en ten tweede de toestemming van de plaatselijke kerk; want iedere plaatselijke gemeente is zodra de ambten zijn ingesteld een zelfstandige en complete kerk. Zonder de vrijwillige toetreding van gelovigen is de instituering van een kerk niet mogelijk, en evenmin is een kerkverband mogelijk zonder vrijwillige aansluiting. Maar, zegt Bouwman er dan bij: ‘dit moet niet worden misverstaan. Het intreden in het kerkverband is vrijwillig in dien zin dat niemand, geen kerk of staatsmacht, haar kan dwingen in een bepaald kerkverband te treden, aangezien de kerk zelve naar Gods Woord heeft te beoordelen of zij in dat verband hoort en of dit haar zal kunnen schaden of haar voordelig zal zijn. Maar deze vrijheid is geen willekeur. Er moeten al zeer gewichtige oorzaken zijn, die de vrijheid wettigen om op zich zelve te blijven staan’ (blz. 9). De gereformeerden leidden het kerkverband niet af uit de vrijheid om te kiezen, maar beschouwden het noodzakelijk vanwege de eenheid in Christus. Als die eenheid er is, is een elkaar zoeken geboden, en waar die eenheid ontbreekt is een gezamenlijk optrekken niet mogelijk. Het spreekt vanzelf dat dit ook iets zegt over onze vrijheid vandáág, om een kerkverband aan te gaan, óf te verbreken. Dat kan geen vrijblijvende optie zijn, maar daar ligt een hoge roeping achter: de eenheid in Christus. En dat kun je nog iets preciezer zeggen. Bouwman schrijft dat het kerkverband principieel berust op de eenheid van de kerken in Christus, maar dat omdat de kerk een geschiedenis heeft en zich op verschillende plekken op verschillende manier ontwikkeld heeft, die eenheid praktisch alleen mogelijk is bij kerken van gemeenschappelijke belijdenis. De belijdenis is, zoals art. 2 van desynode van Emden verklaart ‘de betuiging van de onderlinge verbintenis en van de eenheid der kerken’. Instemming met de belijdenis was voorwaarde voor het aangaan van het verband en vanaf het begin gold dat gemeenschappelijke onderwerping aan de belijdenis, zoals F.L. Rutgers zegt, voor het hele kerkverband ‘het ééne onmisbare’ is; ‘de eenheid van kerkelijke vormen is dan wel wenschelijk, maar het kan toch ook wel als die ontbreekt’. Bouwman concludeert: ‘De eenheid in belijdenis was accoord van de kerkelijke gemeenschap’ (blz. 13).
3. Over de geloofsbrieven
De gereformeerde kerken hebben dus zodra het kon een vorm van kerkelijk samenleven in het leven geroepen. Drijfveer was de overtuiging dat geen enkele gemeente vanwege de eenheid in het geloof op zichzelf mag blijven staan, maar dat het haar plicht is zich in het kerkverband aaneen te sluiten. Kerken waren vrij om zich aan te sluiten bij het kerkverband, maar dat mocht geen willekeurige keus zijn. ‘Gelijk in iedere plaats geen lidmaat op zich zelf mocht blijven staan, maar ieder zich bij de kerk moest voegen, zoo was het ook met de kerken ten aanzien van het kerkverband’ (J. Smetius, Synodale Ordonnantiën, blz. 68). Dat niet-willekeurige, dat gold voor aansluiten bij het kerkverband, én voor breken met het kerkverband: ‘wanneer de kerken eenmaal de eenheid in het kerkverband hebben aanvaard, dan staat het eene kerk ook niet vrij, dat verband te breken, tenzij de kerken, met wie zij in gemeenschap leeft, den grondslag der samenleving, de belijdenis naar Gods Woord, hebben verlaten’ (Voetius, Pol. Eccl. IV, blz. 168). In die overtuiging werd een kerkelijke organisatie ontworpen. Op de synode van Emden werden voor het eerst concrete regelingen gemaakt, o.a. rond het instellen van classes. Leden van de classicale vergadering waren de kerken zelf, die haar vertegenwoordigers naar de vergadering moesten zenden met een goed omschreven mandaat. In de afgevaardigden zijn de kerken aanwezig, daarom moesten zij geloofsbrieven bij zich hebben en op de vergadering overhandigen. Die geloofsbrieven moesten de namen van de afgevaardigden vermelden, maar ook een verklaring dat hun door de kerkenraad opdracht en bevoegdheid is gegeven om alle wettig ter tafel komende zaken mee te behandelen naar Gods Woord, de belijdenis van de kerk en de aangenomen kerkorde. De geloofsbrieven zijn kortom de officiële bewijzen van wettige afvaardiging van de kerken, die de enige bezitters zijn van de kerkelijke macht en die hun macht voor bepaalde zaken samenbrengen1.
Deugdelijk
De kerkorde van de CGK bepaalt in deze lijn in art. 33 dat de afvaardiging naar meerdere vergaderingen gebeurt via geloofsbrieven ‘ondertekend door hen die ze hebben afgevaardigd’, en in art. 41 dat deze geloofsbrieven ‘deugdelijk’ moeten zijn. Kennisname van de regelingen bij de kerkelijke vergaderingen in de 16e eeuw leert dat die bepaling teruggaat op de regel dat ze voorzien moeten zijn van handtekeningen namens de kerkenraad. Het controleren van de geloofsbrieven heeft dus betrekking op het nagaan of de geloofsbrieven kloppen, of de handtekeningen correct zijn, of dezelfde afgevaardigden aanwezig zijn als op de geloofsbrief staan, etc.; kortom: of ze in orde zijn. Dat is belangrijk, immers: het zijn de officiële bewijzen van wettige afvaardiging van de kerken, die hun macht in deze vergadering samenbrengen – zonder ‘deugdelijke’ geloofsbrieven geen meerdere vergadering.
Weigeren van geloofsbrieven?
Wat in de CGK op dit moment als mogelijkheid genoemd wordt, is dat bij het controleren van de geloofsbrieven een heel ander soort ‘controle’ een rol gaat spelen, namelijk één waarbij voordat de vergadering begint de betrouwbaarheid van een plaatselijke kerk onderwerp van overweging wordt, en waarbij de vraag gesteld wordt: achten wij de geloofsbrieven van een kerk die zich niet in alles houdt aan de afgesproken regelingen geloofwaardig? (Immers, in de geloofsbrief staat dat de afgevaardigden aan de vergadering zullen deelnemen om met last en macht op grond van Gods Woord, de aangenomen formulieren van enigheid, de Dordtse Kerkorde en de verdere synodale bepalingen der kerken alles te besluiten en uit te voeren’, en wanneer er gerede twijfel is over de helderheid van dit kader bij de afvaardigende kerk is de indringende vraag te stellen wat die opdracht waard is). En dat als het gevoelen is dat die geloofwaardigheid er níet is, dat dat vervolgens reden kan zijn om de geloofsbrief van zo’n kerk te weigeren, waardoor die kerk de facto buiten het kerkverband komt te staan.
– Het komt in de kerkorde niet voor
Deze manier van omgaan met geloofsbrieven, en deze manier om kerken buiten het kerkverband te laten raken is het gereformeerd kerkrecht echter vreemd. Er is in onze kerkorde geen enkel artikel te vinden waar over een dergelijke mogelijkheid gesproken wordt. En dat geldt niet alleen ‘naar de letter’ van de kerkorde (zoals er wel meer situaties niet letterlijk in de kerkorde voorkomen, die je toch als kerken in de lijn van andere artikelen of de uitgangspunten van het kerkrecht wel kunt oplossen), maar het is ook niet ‘naar de geest’ van het gereformeerde kerkrecht.
Om toch kort bij de ‘letter’ te beginnen, die vraag naar wel of niet aanvaarden van de geloofsbrieven kan alleen maar aan de orde zijn nog voordat de vergadering wettig begonnen is (immers: die wordt pas geconstitueerd door de geloofsbrieven te aanvaarden, zonder geloofsbrieven ís er geen vergadering), en om op dát moment een vraag naar de betrouwbaarheid van één van de vergaderende kerken te stellen met dergelijke grote gevolgen is wel een kerkrechtelijk heel bijzondere constructie. Maar veel dieper gaat het bezwaar dat een gereformeerde kerkorde (ook die van de CGK) niet zomaar een manier kent om kerken ‘uit het kerkverband te zetten’. De enige manier om als plaatselijke kerk buiten het kerkverband te raken (naast het besluit van een kerkenraad zelf om het verband te verlaten) is, wanneer er een weg van tucht is gegaan, een weg van schorsing en afzetting, via art. 79 en 80 K.O.
Vanouds is in de kerkorde de mogelijkheid benoemd van het optreden tegen een ambtsdrager maar dat kan ook een complete kerkenraad zijn – wegens ‘onschriftuurlijke leringen’, of ‘openbare scheurmaking’ (art. 80). Dan is de aangewezen weg die van schorsing en afzetting, wanneer de tijd van vermaan niet heeft opgeleverd waartoe hij dient: bekering. De kerkelijke route hierbij is hoe verdrietig en ingrijpend ook – kerkordelijk niet ingewikkeld. Zij gebeurt met inschakeling van een genabuurde kerkenraad en – als het om een predikant gaat – van een classis. Bij het schorsen van een complete kerkenraad kan dit uiteraard niet op deze manier: de eigen kerkenraad zal geen verzoek indienen om zichzelf te schorsen. Dan treedt art. 30 K.O. in omgekeerde zin in werking en doet de meerdere vergadering wat de mindere niet kan doen: zij gaat over tot schorsing en afzetting, en roept daarbij de adviserende hulp in van deputaten naar art. 49 K.O.
Dát is de manier waarop, bij geen blijk van bekering, en bij zeer zwaarwegende zaken (zaken namelijk die tucht rechtvaardigen) de band met de kerken kan worden doorgesneden. Er is in het gereformeerd kerkecht geen ‘gemakkelijker’ weg om een kerk geen deel meer uit te laten maken van het kerkverband. En dat is met reden; dezelfde reden namelijk als aan het begin van dezenotitie genoemd: dat er heel zwaarwegende gronden moeten zijn om het verband te mogen breken, vanwege de eenheid van de kerken in Christus – dat breken met de kerk niet lichtvaardig mag, maar alleen als die kerk de grondslag van het samenleven, de belijdenis naar Gods Woord, heeft verlaten (Voetius), als die kerk de tekenen van de ware kerk verloren heeft en valse kerk geworden is (art. 28 NGB).
– Het is in de geschiedenis ook niet eerder zo gebruikt
Er is in de kerkrechtelijke literatuur weinig over het weigeren van geloofsbrieven te vinden, en dat laat zich waarschijnlijk uit het bovenstaande verklaren, dat het namelijk geen echte kerkrechtelijke mogelijkheid is om de band met een kerk op deze manier te verbreken. Ook in de geschiedenis van de kerken op het gereformeerde erf zijn weinig aanknopingspunten te vinden. Er is maar één situatie te noemen waarbij er min of meer toch wel via deze lijn gehandeld is, en dat is bij de breuk in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Te denken is in dat verband aan de wegzending van ds. B.F.J. Schoep van de synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in 1967.
Er was hier niet in directe zin sprake van het weigeren van geloofsbrieven van een kerk, maar er is wel sprake van analogie. Bij de opening van de GS van Amersfoort-west, op 4 april 1967, ging de synode na het instemmen van de afgevaardigden met de belijdenis direct in besloten zitting vanwege een pre-alabel voorstel van de PS van Drenthe. Dat voorstel luidde dat het instemmen met de belijdenis door ds. Schoep, afgevaardigd door de PS van Noord-Holland, discutabel gesteld moest worden in het licht van een artikel dat hij geschreven had en van zijn ondertekening van de Open Brief. Na een discussie over de instructie werd een principeuitspraak gedaan waarin tegenstrijdigheid werd uitgesproken tussen de Open Brief en het ter synode instemmen met de belijdenis. Uiteindelijk werd besloten ‘uit kracht van de belijdenis der waarheid ds. B.J.F. Schoep niet te ontvangen als lid van deze generale synode’.
Zoals gezegd was dit geen rechtstreeks weigeren van geloofsbrieven van een kerk, maar die rechtstreekse weigering is er wel gekomen in de ontwikkelingen die volgden, en die tot een hoogtepunt kwamen op de synode van Hoogeveen 1969/1970. Het wegsturen van één van hun afgevaardigden stelde de verhoudingen tussen de kerken in Noord-Holland en de synode op de proef. Bovendien was de Open Brief, die een rol had gespeeld in het onbetrouwbaar achten van die afgevaardigde, door 11 predikanten uit Noord-Holland ondertekend. In alle classes waren daardoor moeilijkheden. Daarin speelde mee dat in verschillende plaatsen comités voorlichting gaven over hoe te handelen als predikanten ‘onbetrouwbaar’ werden geacht. Als een kerkenraad niet overging tot schorsing van zijn predikant, werden kerkleden opgeroepen achter hun ambtsdragers vandaan te gaan en ‘de reformatie ter hand te nemen’. Zo ontstonden op verschillende plekken in Noord-Holland twee kerken: de oude gemeente, en een nieuwe ‘uitgetreden’ kerk. Die uitgetreden kerken vormden vervolgens eigen classes en een nieuwe PS. En zo kwam het dat er bij de GS van Hoogeveen twee geloofsbrieven uit Noord-Holland werden ingeleverd: één van de oorspronkelijke PS, en één van de nieuwe PS, die ook afgevaardigden had benoemd. De synode besloot de laatstgenoemden op de synode te ontvangen en de geloofsbrief van de andere kerken te weigeren.
Het is dus één keer in de geschiedenis van de gereformeerde kerken voorgekomen dat het weigeren van geloofsbrieven (hier van een hele PS) gebruikt is om kerken buiten het kerkverband te zetten. Tegelijk is te zeggen dat je, de hele gang van de ontwikkelingen volgend, eigenlijk niet kunt volhouden dat hoe hier gehandeld is als een voorbeeld kan dienen van passend kerkrechtelijk handelen waarop je in later tijd terug kunt vallen. Er is, ook kerkrechtelijk en kerkordelijk, zo veel fout gegaan dat het niet opgevoerd kan worden als een voorbeeld van het toepassen van het gereformeerd kerkrecht op een manier die als legitimatie kan dienen om het in latere tijd nog eens te herhalen2.
– Voorzichtigheid
Die twee constateringen samen: het feit dat het in onze kerkorde niet als mogelijkheid voorkomt, én het feit dat het niet eerder in de geschiedenis van het gereformeerd kerkrecht als (goed) ingezet middel is gebruikt, zijn wat deputaten betreft reden tot grote voorzichtigheid om deze weg te durven wijzen. Het eerste geeft daarin de doorslag. Uit alles wat hierboven is gezegd, blijkt dat verbreken van de band met een kerk alleen maar als mogelijkheid in zicht kan komen als er sprake is van een confessioneel geschil. Maar juist als er zo’n zwaarwegende reden in het geding moet zijn, pleit dat ervoor om dan ook de enige weg te gaan die onze kerkorde wijst, namelijk een weg van vermaan en tucht. Een weg van terugroepen naar Christus. Immers, is dát niet juist in de geest van het gereformeerd kerkrecht: dat je een gemeente die kennelijk op een dwaalspoor gebracht wordt, op een weg van Christus af, daartegen beschermt door de weg van tucht te gaan? Als je echt overtuigd bent van het schadelijke van een bepaalde weg, dan moet je je broeders en zusters toch van die weg terugroepen in plaats van hen vrijblijvend te laten gaan?
Het weigeren van de geloofsbrieven is een opzeggen van de eenheid in belijden, de eenheid in Christus, en is daarmee even ingrijpend, zowel in praktische gevolgen als principieel gezien, als een weg van schorsing en afzetting – maar wel zonder de langdurige inspanning en het gebed dat die laatste weg vraagt. En waar ons gereformeerd kerkrecht, met reden, geen eenvoudige manieren kent om de onderlinge band als kerken te verbreken, achten deputaten het zeer wijs dat we ons als kerken ervan onthouden om die manieren toch te zoeken.
4. Hoe dan te handelen als een kerk zich niet conformeert aan synodale besluiten?
Het weigeren van geloofsbrieven is dus geen passend middel om kerken te vermanen of om hen de toegang tot het kerkverband te ontzeggen. Maar welk kerkelijk instrument staat een meerdere vergadering dan ten dienste om een kerkenraad die zich niet houdt aan eerder gemaakte afspraken tot de orde te roepen? Dat is de vraag die onherroepelijk volgt op de conclusie die we net trokken, en die ook herhaaldelijk in adviesaanvragen wordt gesteld.
Het is belangrijk erop te wijzen dat op deze vraag niet één antwoord te geven is dat overal op dezelfde manier geldt, in de zin van: als een kerkenraad dít doet, is dít het gevolg, en als een kerkenraad dát doet moet een classis zó handelen. Iedere situatie vraagt om een afzonderlijke en zorgvuldige weging van alles wat in die situatie een rol speelt. Maar er zijn wel lijnen aan te geven.
Vermaan
Het eerste wat een classis te doen staat wanneer een kerkenraad ongeordende wegen gaat, is het aangaan van gesprek, met de mogelijkheid van vermaan. Dat is een taak die in art. 44 K.O. wordt toebedeeld aan de visitatoren: zij ‘zullen erop toezien’ dat de kerkenraadsleden ‘bij de zuiverheid van de leer volharden, de aangenomen kerkorde in elk opzicht handhaven en de opbouw van de gemeente naar behoren met woorden en werken bevorderen. Daarbij zullen zij hen die nalatig in het één of ander bevonden worden, bijtijds broederlijk vermanen en met raad en daad alles doen strekken tot vrede, opbouw en welzijn van de kerken’.
Broederlijk vemanen… inderdaad, want de kerken horen samen bij dat ene grote huisgezin van onze hemelse Vader. Het werkwoord vermanen is een Bijbels woord (1 Thess. 5:11 en 14 bv.). In onze Nederlandse vertalingen wordt dat vermanen ook wel oproepen, bemoedigen, troosten genoemd. Het is een heel warm woord in de Schriften! Je neemt er dan ook de tijd voor, je hebt geduld, je weet van wachten. Vermaan werkt niet op het horloge, maar is uit op de welaangename tijd. De zaak van de eenheid van de kerken is dat meer dan waard: het gaat immers om de vrede die door bloed geschonken is? Hij die dat bloed van zijn lichaam gaf, schonk zijn Kerk ook het ‘Onze Vader’. Geen enkelvoud, maar meervoud: ónze Vader! Dat willen wij zo lang mogelijk sámen blijven bidden. Vermanen gebeurt met een beroep op de ‘ontfermingen van God’, Rom. 12:1. Dus ook op die toonhoogte. Dat vermanen mag en zal dus tijd kosten. Soms lijkt er in de kerken zich iets van een ongeduld af te tekenen op dit punt: ‘het moet nu maar eens afgelopen zijn!’. Dat is niet de stijl van het Koninkrijk. Als een gezinslid het gezin dreigt te verlaten, blijven de gezinsleden oproepen om terug te keren. Als een gezinslid door gedrag het samenleven in het gezin onder spanning zet, wijzen de gezinsleden hem/haar zéker niet ontijdig de deur…
Kerkelijk zullen kerkvisitatoren daarvoor dus een specifieke opdracht van de classis ontvangen, conform art. 44. In de hoop en met de bede dat het helpt.
Maar wanneer vermaan?
Uitdrukkelijk werd hierboven gesteld dat de mogelijkheid van vermaan bestaat. Gesprek over ongeordende wegen – op welk onderwerp dan ook – hoeft niet altijd en per definitie op vermaan uit te lopen. Dat werkwoord – op Bijbelse toonhoogte – is slechts aan de orde wanneer men Schriftuurlijk en confessioneel het rechte pad verlaat. Art. 44 spreekt ook over vermaan wanneer de ‘aangenomen kerkorde’ niet ‘in elk opzicht’ wordt gehandhaafd. Als een kerkenraad bv. overgaat tot het houden van één dienst per zondag kan een classis daar zorgen over uiten, en kan zij ook nog wel het woord ‘vermaan’ in de mond nemen, maar dat is dan toch vermaan op een ander niveau dan wanneer Schrift en belijdenis in geding zijn. Soms erkennen de classicale vergaderingen dat een kerkenraad in redelijkheid niet (meer) in staat is om een bepaalde kerkordelijke regel te handhaven. En zij legt zich daarbij neer.
In de Schrift staat het woord vermaan voor ‘die activiteit die bedoelt, door het middel van woorden een christen weg te trekken van wat verkeerd is en hem te brengen tot het doen van het goede. Het is in het bijzonder het werk van hen die verantwoordelijkheid dragen voor het geloven en het leven der gemeente’ (F.J. Pop, Bijbelse woorden en hun geheim, blz. 449v). Maar ook gemeenteleden onderling hebben deze taak (1 Thess. 5). ‘Het is ook de eerste stap die gezet wordt om iemand, die de ketterse weg opgaat, het verkeerde van zijn optreden of opvattingen onder het oog te brengen’ (blz. 450). In die zin klinkt het woord ook in art. 74 en 77 K.O.
In de CGK maken we het onderscheid tussen een ernstig classicaal gesprek bij afwijking van de kerkorde bij zaken die Schrift en belijdenis niet raken enerzijds en vermaan bij zaken die Schrift en belijdenis wél raken al heel lang. Men zie de gang van zaken bij het kerkelijk lied, het aantal diensten per zondag, de beperkte diensttijd van ambtdragers, het stelselmatig niet of te weinig afdragen voor sommige kerkelijke kassen, het negeren van de grenzen van een preekbevoegdheid en zo nog wel meer. Overigens, ook bij zaken die Schrift en belijdenis wél raken, is de CGK soms terughoudend in vermaan. Zo is bekend dat bij opvattingen over ambtsdragers over het zogenaamde duizendjarig rijk lang niet altijd meer de afspraak bij art. 51 lid 1 en 2 nagevolgd wordt; ook houden sommige gemeenten zich niet aan de vastgestelde regel in art. 61 lid 3 (het afleggen van ‘belijdenis der waarheid’). Dit maakt de vraag wanneer het niet conformeren aan kerkelijke afspraken die Schrift en belijdenis raken leiden moet tot vermaan (en uiteindelijk mogelijk zelfs tot breken van het verband) uiterst behoedzaam overwogen dient te worden. Er mag immers niet met twee maten gemeten worden.
En dan?
Maar wat als een lange tijd van gesprek en/of vermaan niet heeft geleid tot omkeer, of tot dichter bij elkaar komen? Dan zal een classis zich moeten beraden. De belangrijkste vraag die dan gesteld zal moeten worden is de vraag of het om een fundamenteel confessioneel geschil gaat, of niet. Als dat eerste het geval is, dat het gaat om iets waarbij de eenheid in belijden, de eenheid in Christus, verbroken wordt, dan is er naar gereformeerd kerkrecht maar één weg te wijzen: de weg van tucht, en uiteindelijk van schorsing en afzetting naar art. 79 en 80 K.O. Deze weg kan zoals de tekst zegt gegaan moeten worden vanwege het aanhangen en verbreiden van onschriftuurlijke leringen, maar ook vanwege scheurmaking. En daarvan kan sprake zijn wanneer langdurig kerkelijke vermaningen vanwege het niet conformeren aan een kerkelijk besluit van dergelijk gewicht naast zich neer worden gelegd. Het is een weg die heel diep ingrijpt, en die ongetwijfeld veel werk mee brengt: de gemeente komt onder het kerkelijk bestuur van een classis nadat deze de kerkenraad heeft afgezet, de classis stelt een noodkerkenraad in en ziet er op toe dat er zo snel mogelijk weer een opleving van het gemeentelijk leven onder Gods zegen kan komen. Maar het is de enige weg die mogelijk is bij zulke zwaarwegende zaken die de tucht rechtvaardigen.
Wanneer het geschil géén fundamenteel confessioneel geschil is, kan die weg niet gegaan worden. In een artikel in Ambtelijk Contact, mei/juni 2019, ‘De eenheid bewaren, tussen fundamenteel en nietfundamenteel, blz. 19, pleit ds. H. de Bruijne voor het onderscheiden ‘tussen fundamenteel en niet fundamenteel’. Hij noemt als voorbeeld ‘zaken die in de belijdenis niet duidelijk vastgelegd zijn’. Als het gaat om die laatste zaken kan een ernstig gesprek dienstig zijn, maar komt het er uiteindelijk op aan elkaar te willen blijven dragen, en te tolereren dat het verschil er is. Hij schrijft in dat verband: ‘Tolerantie sluit kritiek en vermaan niet uit. Het is de kwestie van de (wellicht langdurige) pijn van het (mogelijk ingrijpende) meningsverschil te willen lijden en ook van biddend-volhardend de moeite willen nemen elkaar op betere gedachten te willen brengen’3.
Nabeschouwend
Het is duidelijk dat het zomaar een eigen weg gaan van een kerkenraad bij moeite met gezamenlijke afpsraken onkerkelijk is, en de onderlinge verhoudingen onder druk zet. Het roept ook vragen op wat de waarde is van de woorden in een geloofsbrief dat de afgevaardigden aan de vergadering zullen deelnemen ‘om met last en macht op grond van Gods Woord, de aangenomen formulieren van enigheid, de Dordts Kerkorde en de verdere synodale bepalingen der kerken alles te besluiten en uit te voeren’. De discrepantie tussen deze woorden en het feit dat een afvaardigende kerk zelf zich niet houdt aan een bepaalde kerkelijke afspraak wordt door deputaten onderkend. Ondanks deze discrepantie is het weigeren van geloofsbrieven geen begaanbare weg. Wel zijn er door de vergadering indringende vragen over te stellen, en is er op te roepen tot kerkelijk handelen. Vervolgens zal de vergadering moeten wegen waartoe het antwoord op die vragen leidt (en de mogelijke uitkomsten staan hierboven genoemd).
Daarbij dient wel in het oog gehouden te worden, dat de trits: Gods Woord, aangenomen formulieren van enigheid en Dordtse Kerkorde niet nevenschikkend is, maar onderschikkend. Bovenaan staat de Schrift (onaantastbaar), daaronder de belijdenis (akkoord van kerkelijk samenleven waarop ieder aanspreekbaar is, met recht op gravamen), en daaronder weer de kerkorde, die vermeerderd en verminderd kan worden al naar gelang de kerken dat dienstig achten. Het is verhelderend om hierbij het ondertekeningsformulier over ambtsdragers te betrekken. Daarin beamen de ambtsdragers dat de belijdenis (de ‘stukken van de leer’) overeenkomt met Gods Woord en beloven ze niets te zullen leren dat daarmee in strijd is. Waar ze een wijziging nodig achten zullen ze dat in de kerkelijke weg aan de orde stellen. Eenheid op confessioneel niveau dus. Weliswaar is daar in het CGK-formulier ook de zin aan toegevoegd: ‘Ten slotte beloven wij in alles te handelen naar de geldende kerkorde en verdere bepalingen van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland’, maar dat is bepaald een vreemde eend in de kerkelijke bijt: in geen enkel ander ondertekeningsformulier in gereformeerde kring komt men deze passage tegen. Waarom is het er aan toegevoegd? In Ambtelijk Contact, maart/april 2019 schreef ds. D. Quant in ‘Gebonden aan – verbonden met. Wat verklaren we in het ondertekeningsformulier?’ over de GS 1962: ‘Men signaleert dat het al verschillende keren voorgekomen is dat kerkenraden zich aan het kerkverband onttrokken hebben op grond van leergeschillen. Dat recht kan hen niet ontzegd worden, maar het is te laken wanneer niet eerst geprobeerd wordt om deze geschillen in de kerkelijke weg te bespreken. (…) Het Noorden vraagt de synode om wegen te zoeken om dit onkerkelijke handelen te voorkomen. Na een intensieve bespreking besluit de synode dan onder andere om de zin (…) in het formullier op te nemen. Kort en goed: deze zin staat slechts in het ondertekeningsformulier om te voorkomen dat kerkenraden zomaar, zonder geestelijk-kerkelijk eerlijke besprekingen van hun moeiten met de zusterkerken, de band met die kerken verbreken. En in de eerste jaren na 1962 zal dat iedereen ook wel ‘tussen de oren’ hebben gezeten: het gaat niet aan dat een kerkenraad die moeite krijgt met de leer van de CGK dat onbesproken laat en vertrekt uit het kerkelijk verband; wie serieus meent dat de zusterkerken zich niet voluit houden aan de belijdenis (of de juiste interpretatie daarvan), is geestelijk verplicht dat in bespreking te brengen, om die zusterkerken te corrigeren – of natuurlijk om zelf gecorrigeerd te worden. Nu, meer dan 55 jaar later, is de meesten deze ontstaansgeschiedenis onbekend. En wij lezen er nu een algemene binding aan de inhoud van onze kerkorde en onze synodale besluiten in’.
Dat laatste is dus niet terecht. Het zou ook geheel en al overbodig zijn: die binding aan de kerkelijke besluiten vindt men al in art. 87 K.O. En het risico is niet denkbeeldig dat men zou gaan denken dat de kerkorde op hetzelfde niveau als Schrift en belijdenis staat en dat bij afwijking daarvan een nadere verklaring gevraagd zou moeten worden. Nadere verklaringen worden alleen en uitsluitend gevraagd door een kerkelijke vergadering wanneer de confessionele betrouwbaarheid in gevaar is. Wanneer het om kerkordelijke afwijkingen gaat die Schrift en belijdenis níet raken, zullen de kerkelijke vergaderingen daarover spreken (evt. via de kerkvisitatoren) en geduld oefenen, eventueel tolereren. En in feite is dat niet anders dan wat de CGK steeds gedaan heeft bij overtreding van kerkordelijke regels op dat niveau (zie bijvoorbeeld de gang van zaken rond het kerkelijk lied, die zich van 1980 tot 2004 voortsleepte).
Dat heeft alles te maken met de wortels van het gereformeerde kerkrecht. De orde van de kerk is immers de orde van de vrede (1 Kor. 14:33). Dat is de vrede die het heilzame resultaat is van het bloed van Christus (Jes. 53:5). Het is die vrede die samenbindt, het is de genade die bijeenbrengt. Maar juist omdat dat zo is, houden gemeenten het onderling ook lang met elkaar uit, ook bij nietprincipiële afwijking van afspraken. Zolang wij elkaar in prediking en gesprek op het niveau van de vrede en de genade herkennen, overstijgt dat eventuele kerkordelijke onjuistheden. Ook wanneer we die met velen heel ongewenst vinden. Juist vanwege de kracht van de genade gaan de kerken genadig met elkaar om. Deze gedachten dienen (ten overvloede) niet om deze onjuistheden toe te juichen of te stimuleren. Dat is niet aan de orde. Het gaat om de vraag hoe kerkelijk te reageren wanneer deze ongewenste onjuistheden toch voorkomen in gemeenten. De Bruijne typeert dat in zijn genoemde artikel met woorden als lijden en pijn, over elkaar, maar uitdrukkelijk ook mét elkaar. Het bloed van Christus waar we allen uit leven, de genade waar we het allen van moeten hebben, is dat waard.
Uit de geschiedenis is ten slotte nog één belangrijke les te leren. In ons kerkrechtelijk systeem is sprake van verbinding tussen het presbyterium en de synode. In die volgorde, en nadrukkelijk niet andersom. De bredere kerkelijke vergaderingen zijn er om de kerkenraden en daarin de plaatselijke gemeenten te dienen en te helpen. Dat helpen kan pijn doen, maar het moet wel helpen blijven en niet heersen worden. Een synode heeft geen eigen gezag. Haar gezag is het gezag van het Woord. Bouwman schrijft daarover: ‘de bevoegdheid eener kerkelijke vergadering hangt samen met hare roeping om pilaar en vastigheid der waarheid te zijn; om de waarheid, die zij gelooft, te belijden, te propageren en te handhaven’ (blz. 210), en verderop: ‘Er is geen enkele kerkelijke vergadering, die met onfeilbaar gezag kan spreken. (…) Het is herhaaldelijk voorgekomen, dat eene synode geheel onjuiste besluiten heeft genomen, en dat de beslissingen eener synode zeer verkeerde gevolgen voor de kerk hebben gehad. Juist daarom mag elke synode wel bedenken, dat zij niet in eenig geschil, waarover de gevoelens zeer verdeeld zijn, eene beslissing neemt, waardoor een groot deel van de leden der vergadering en dus ook van de kerken zich gekrenkt gevoelt, en waardoor de rust der kerken verstoord wordt, tenzij de synode overtuigd is, dat hare beslissing rust op den klaar uitgesproken wil des Heeren.’ (blz. 212). Dat betekent dat een GS bij de zaken die op haar tafel komen zich uitdrukkelijk dient af te vragen op welk niveau het gespreksonderwerp zich bevindt. Bij principiële zaken zal de GS bindende uitspraken doen. Zij kan en mag dan niet anders. En dergelijke uitspraken zullen ook nageleefd dienen te worden: het Woord is dan immers in geding. Maar dat moet dan ook wel heel duidelijk zijn. Bij niet principiële zaken kan de synode adviezen geven, voorkeuren uitspreken, oproepen om iets al of niet te doen. Maar zij kan niet binden. En als zij dat wél doet, dan leert de geschiedenis dat de kwestie onherroepelijk na een aantal jaren terugkeert op het synodebord.
Bouwman schrijft direct aansluitend aan bovenstaand citaat over het conformeren van de minderheid aan de meerderheid, behoudens het beroep op art. 31 K.O. Dat principe (zich voegen in de genomen kerkelijke beslissingen) is waarschijnlijk vandaag de dag ingewikkelder en spannender dan een halve eeuw geleden, en het vraagt veel van de kerkelijke vergaderingen om daar goed mee om te gaan. Met het oog daarop zou het de moeite waard kunnen zijn om eens opnieuw te letten op de formulering van de eerste zin van art. 31 K.O.: ‘de besluiten van een kerkelijke vergadering worden genomen na gemeenschappelijk overleg en zo mogelijk met eenparige stemmen’. Het zoeken naar die eenparigheid dwingt een kerkelijke vergadering tot weging van het onderwerp: principieel of niet principieel. Binden of vrijlaten. Dat is moeilijk, maar het is vooral ook heilzaam: ‘(…) zodat zij allen de naam van de HEERE zullen aanroepen, om Hem schouder aan schouder te dienen’ (letterlijk: met een eenparige schouder), Zef. 3:9b.
november 2019, deputaten kerkorde en kerkrecht
Voetnoten
- Van belang is het afgeven door de zendende instantie: zo werd voorkomen dat de overheid zich het recht zou toe-eigenen kerkelijke lasthebbers naar de vergadering te sturen, maar ook benadrukt dat het om een kerkelijke vergadering gaat en niet om een verenigingsbijeenkomst of bijeenkomst op persoonlijke titel (Joh. Jansen, Korte verklaring van de kerkorde, blz. 151-153).
- Zie voor een uitgebreide bespreking van wat er ook op kerkordelijk terrein mis is gegaan: G. van den Brink en H.J. van der Kwast, Een kerk ging stuk, pag. 66-110.
- In het kader van de huidige spanningen komt hierbij de vraag op in hoeverre er met het verkiezen van vrouwelijke ambtsdragers in een gemeente sprake is van afwijking van Schrift en belijdenis. En dat is minder eenvoudig dan velen willen weten: wie de gang van zaken op de generale synodes van 1998 en 2001 nagaat, ontdekt dat in beide synodes ervoor gewaakt is om een principiële veroordeling van het standpunt van de minderheid van de studiecommissie uit te spreken. Er is zelfs gesteld dat de synode deze grens niet wil overgaan (Acta GS 1998 art. 136) en niet overgegaan is (Acta GS 2001, art. 111). De vraag of er binnen de gereformeerde hermeneutiek sprake kan zijn van verschillende schriftuitleg op dit punt ligt dus sinds 1998 nog open. En dat is nog eens door een instructie van de PS van het Oosten die op deze GS op tafel ligt onderstreept. Totdat de GS hierover beslist heeft, zal in ieder geval kerkelijk voorlopig pas op de plaats gemaakt moeten worden. Dat past de kerken ook wanneer plaatselijke gemeenten in ongeduld de grens van de vrouw in het ambt passeren; ongeduld van de ene partij kan zeker in het Koninkrijk niet met ongeduld van de andere partij beantwoord worden. Gesteld dat de bezinning ter GS tot een besluit leidt dat het principieel mogelijk is om over vrouw en ambt verschillend te oordelen, dan is niet uit te sluiten dat de GS tegelijk nog eens de oproep van 1998 onderstreept om op dit punt ‘de eenheid van de kerken te bewaren’ (Acta GS art. 230). Maar een kerkenraad die bij deze stand van zaken toch besluit tot invoering en dat Bijbels verantwoord doet kan dan niet vermaand worden op het niveau zoals hierboven omschreven. Maar het is ook mogelijk dat de GS na haar bezinning tot een aanscherping van 1998 komt en uitspreekt dat het binnen een gereformeerde schriftbeschouwing niet mogelijk is om tot vrouwelijke ambtsdragers te komen; dan ligt de zaak anders.