De synode sloot zonder roepende kerk aan te wijzen. Wat betekent dat voor het voortbestaan van het kerkverband?
De slotbesluiten van de laatste generale synode geven vragen over het voortbestaan van het kerkverband. Waarom is het erg dat er geen roepende kerk werd aangewezen? En is dat onvermijdelijk om samen verder te gaan als kerkverband? In deze notitie wordt nagegaan wat de kerkordelijke waarde is van deze besluiten van de synode en wat dit betekent voor de plaatselijke kerken en voor ons samenleven als kerken in ons kerkverband.
1. Het besluit dat de generale synode op 3 juni 2025 nam
1.1 De inhoud van het besluit
Volgens de brief die deputaten vertegenwoordiging op 6 juni jl. aan de kerken stuurde, besloot de generale synode op 3 juni 2025 als volgt:
“4. De vergadering te sluiten in de erkenning dat de synode niet aan haar opdracht naar art. 30 K.O. heeft kunnen voldoen en daarom haar verantwoordelijkheid teruggeeft aan de plaatselijke kerken en om die reden geen roepende kerk aanwijst;”
Zowel vanuit taalkundig oogpunt als vanuit de kerkordelijke lijnen gezien is het moeilijk precies te ontleden wat de synode nu eigenlijk hiermee heeft gezegd. Immers: zodra de vergadering gesloten is, is de verantwoordelijkheid die de synode van de kerken gekregen had vanzelfsprekend geëindigd. De verantwoordelijkheid hoeft niet teruggegeven te worden aan de plaatselijke kerken, zij dragen principieel die verantwoordelijkheid al. Een synode is in het gereformeerd kerkrecht geen permanent bestuur, maar bestaat slechts zolang de vergadering duurt. Dus of de synode naar eigen inschatting nou aan de opdracht naar art. 30 KO heeft kunnen voldoen of niet, de verantwoordelijkheid voor een voortgaand
kerkelijk samenleven ligt na sluiten van de vergadering principieel al bij de plaatselijke kerken, daar is geen apart synodebesluit voor nodig.
Ook de laatste toevoeging, dat er ‘om die reden’ geen roepende kerk is aangewezen, is onduidelijk: het is niet helder waarnaar ‘om die reden’ terugwijst en het wordt ook niet duidelijk waarom er, als de verantwoordelijkheid aan de plaatselijke kerken wordt teruggegeven, geen roepende kerk is aangewezen. Juist als de verantwoordelijkheid bij de plaatselijke kerken ligt voor het verdere kerkelijke leven, dan hebben die plaatselijke kerken baat bij een aangewezen kerk die de kerken weer bij elkaar kan roepen voor een nieuwe vergadering.
1.2 Duiding van het besluit door deputaten vertegenwoordiging
Deputaten vertegenwoordiging geven in hun brief waarin zij de kerken op de hoogte stellen van het genomen besluit zelf een toelichting bij punt 4. Die toelichting luidt als volgt:
“Besluit 4 brengt onder woorden waarom de synode gesloten is. Dat besluit is immers niet zomaar genomen. In het moderamenrapport waaruit bovenstaande besluiten voortvloeien is daar het volgende over geschreven:
‘Het gegeven dat de synode gesloten wordt terwijl er nog zoveel zaken niet behandeld zijn, laat pijnlijk zien hoe moeilijk de situatie in ons kerkverband is geworden. Een verdere bespreking van welk agendapunt dan ook blijkt onmogelijk nu enerzijds de synode geen weg heeft kunnen wijzen ten aanzien van de toekomst van het kerkverband en de omgang met kerken die afwijken van de synodale besluiten, en anderzijds de kerken die dit betreft, ondanks het appel dat na het besluit van 28 maart jl. de kerken is ingegaan, niet terugkeren binnen de bedding van de synodale besluiten die vast en bondig zijn. Deze moeilijke situatie doet onontkoombaar de vraag rijzen: functioneert artikel 31 K.O. nog wel als de praktijk iets anders laat zien? En wanneer dat ter discussie staat, hoe kan de synode dan nog in lijn met artikel 30 K.O. (‘te behandelen wat in de mindere niet kon worden afgedaan, of wat behoort tot de kerken van de meerdere vergadering in het algemeen’) leiding geven aan het kerkverband? Ons rest als synode daarom geen andere keus dan in lijn met het besluit van 28 maart jl. de synode te sluiten en de verantwoordelijkheid terug te geven aan de plaatselijke kerken.’
Wie bovenstaande woorden op zich laat inwerken, proeft de ernst van deze realiteit. Zo ernstig zelfs dat de synode ook besloten heeft geen roepende kerk meer aan te wijzen. Nu de synode is vastgelopen, kan er niet een nieuwe synode worden samengeroepen alsof die ‘gewoon’ verder zou kunnen gaan waar de huidige synode gebleven is. De verantwoordelijkheid wordt daarom teruggegeven aan de plaatselijke kerken. Zij zullen nu moeten besluiten hoe zij zich tot de huidige situatie en daarmee tot elkaar verhouden.”
Even verderop in hun brief zeggen deputaten vertegenwoordiging wat besluit 4 in het licht van de gegeven uitleg volgens hen betekent voor de situatie van de kerken op dit moment.
De eerste vraag die daarbij wordt gesteld luidt: ‘bestaat ons kerkverband nu niet meer?’
Ook het antwoord op die vraag nemen we hieronder over:
Bestaat ons kerkverband nu niet meer?
Het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken bestaat nog steeds. Alle 181 plaatselijke kerken bestaan immers nog. En als de Heere het geeft, zullen die 181 plaatselijke
kerken komende zondag allemaal weer hun erediensten beleggen. Die plaatselijke kerken hebben ook nog steeds hun gezamenlijke verantwoordelijkheden: de TUA, de emeritikas, het
zendingswerk etc. Maar de vergaderstructuur van het kerkverband blijkt vast te lopen. Omdat de artikelen 30 en 31 van onze kerkorde niet meer functioneren, is het aan de plaatselijke kerken om te bepalen hoe zij zich tot de huidige situatie verhouden. Willen zij zich opnieuw in synodaal verband vergaderen? Hoe dan? En met welke andere gemeenten dan? Die gewichtige vragen liggen nu op de tafel van de plaatselijke kerken.
Ook na deze verantwoording die deputaten vertegenwoordiging geven van het genomen besluit blijft onduidelijk wat het besluit nu precies betekent voor het kerkverband. Aan de ene kant antwoorden deputaten vertegenwoordiging op de vraag of het kerkverband nog bestaat voluit ‘ja’. Maar vervolgens wordt in de brief gesteld dat het aan de plaatselijke kerken is om zich af te vragen ‘of zij zich opnieuw in synodaal verband willen vergaderen’ en ‘hoe dan’ en ‘met welke andere gemeenten dan’. Deze zinnen ontkrachten de stelling dat er nog sprake is van een kerkverband. Want áls het kerkverband nog bestaat, dan zijn de plaatselijke gemeenten niet vrij om vrijblijvend zich de vraag te stellen of zij zich opnieuw willen verenigen en met welke gemeenten zij dat dan willen doen. Deputaten vertegenwoordiging zeggen dat deze gewichtige vragen nu op de tafel van de plaatselijke kerken liggen, maar die vragen liggen níet op de tafel van de plaatselijke kerken als het kerkverband nog bestaat. Kortom, de brief maakt de verwarring eerder groter dan kleiner.
Om tot een verantwoord antwoord te komen op de vraag of het kerkverband nog bestaat nu de generale synode besloot om de vergadering te sluiten zonder een nieuwe roepende kerk aan te wijzen, zullen we iets dieper in moeten gaan op de vraag wat het kerkverband is, hoe het kerkverband geconstitueerd wordt en wat het kerkverband in stand houdt. Dat vraagt wat meer woorden dan de simpele uitleg die er op dit moment soms in de pers en elders van gegeven wordt. Maar we achten het onze plicht om een zorgvuldige weergave van de kerkrechtelijke lijnen te geven en om van daaruit de situatie te duiden en de vraag naar het nog bestaan van het kerkverband te beantwoorden.
2. Oorsprong en fundament van het kerkverband volgens het gereformeerd kerkrecht
2.1 De kerk
Als er in de Heidelbergse Catechismus in Zondag 21 gevraagd wordt: ‘Wat gelooft u aangaande de heilige katholieke Kerk?’, dan luidt het antwoord: ‘Dat de Zoon van God van het begin der wereld tot aan het einde Zich uit de gehele mensheid een gemeente, die tot het eeuwige leven is uitverkoren, door Zijn Geest en Woord in de eenheid van het ware geloof vergadert, beschermt en in stand houdt; en dat ik daarvan een levend lid ben en eeuwig zal blijven’. Het zijn prachtige woorden, woorden om je een leven lang aan vast te klampen. En woorden die de enig mogelijke toon aangeven die past bij een spreken over de kerk. Een hoge toon: de kerk is geen vereniging, geen organisatie die wij zelf bedacht hebben, laat staan iets waarover wij zeggenschap hebben; de kerk, dat is dat de Zoon van God, onze Heere Jezus Christus, Zélf Zich een gemeente verzamelt, dat Hij die voor altijd beschermt en onderhoudt – en dat ik, uit pure genade, bij die gemeente mag horen.
Op deze toonhoogte spreken over de kerk kan niet zonder gevolgen blijven voor hoe je omgaat met de kerk. Dat zie je terug in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, als het daar gaat over de kerk, in art. 27 e.v. ‘Wij geloven en belijden’, staat daar, ‘een enige katholieke of algemene kerk, als heilige vergadering van de waarlijk gelovige christenen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus, gewassen zijn door Zijn bloed en geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest’. Maar wij geloven ook, als gevolg daarvan, dat ‘aangezien deze heilige vergadering en gemeente de vergadering is van hen die behouden worden en er buiten haar geen heil is, dat niemand zich afzijdig mag houden’, maar dat ‘allen zich bij haar behoren te voegen’ en dat ‘alle gelovigen zich overeenkomstig Gods Woord horen af te scheiden van hen die niet tot de kerk behoren’.
Met andere woorden: je voegen bij de kerk van Christus, en je afzonderen van wat niet de kerk van Christus is, is geen vrijblijvende keuze. Art. 28 NGB zegt: ‘daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen in strijd met Gods verordening’.
2.2 Het kerkverband
Deze toon is de toon waarop het gereformeerd kerkrecht spreekt over de kerk. En het is ook de toon die je terughoort in de manier waarop onze gereformeerde kerken zich aan elkaar hebben verbonden. Op de synode van Emden (1571) werd voor het eerst door de Nederlandse kerken uit de Reformatie een kerkelijke organisatie gevormd. De organisatie die daar werd afgesproken werd door die kerken met algemene instemming goedgevonden, omdat de kerken elkaar gevonden hadden in de gemeenschappelijke belijdenis. Omdat er éénheid in belijden was, was er ook ruimte, én noodzaak, om de dingen gezamenlijk te regelen.
De kerkrechtdeskundige dr. H. Bouwman zegt in zijn standaardwerk over het gereformeerd kerkrecht dat dit bij de principes van het gereformeerd kerkrecht hoort: ‘Omdat de kerken één zijn in Christus, één in belijdenis, en zij geroepen zijn die eenheid naar buiten zooveel mogelijk in praktijk te brengen, hebben zij samen ook de bevoegdheid ordeningen te maken, die, in onderwerping aan Gods Woord en de gemeenschappelijke belijdenis, als regel gelden voor het leven en welzijn der gezamenlijke kerken’ (Gereformeerd Kerkrecht II, blz. 4).
De synode van Emden zegt in art. 2 dat de gemeenschappelijke belijdenis ‘de betuiging van de onderlinge verbintenis en van de eenheid der kerken’ is. Instemming met de belijdenis was in Emden voorwaarde voor het aangaan van het kerkverband en vanaf het begin gold voor de gereformeerde kerken dat gemeenschappelijke onderwerping aan de belijdenis voor het kerkverband ‘het ééne onmisbare’ was (zo F.L. Rutgers, die eraan toevoegde: ‘de eenheid van kerkelijke vormen is dan wel wenschelijk, maar het kan toch ook wel als die ontbreekt’). Bouwman, die bovenstaand citaat in zijn boek weergeeft, concludeert: ‘de eenheid in belijdenis was accoord van de kerkelijke gemeenschap’ (Gereformeerd Kerkrecht II, blz. 13).
Twee dingen golden als uitgangspunt bij de regels voor het kerkelijk leven zoals ze in Emden werden opgesteld, namelijk: aan de ene kant de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken en aan de andere kant de eenheid van die kerken, vanwege hun eenheid in Christus. Prof. J. Hovius heeft in zijn ‘Notities betreffende de synode te Emden, 1571′ laten zien dat in het kerkverband de manier gevonden werd waarin zowel de zelfstandigheid als de eenheid van de kerken tegelijkertijd tot hun recht konden komen.
De gereformeerde kerken wilden zodra het kon een vorm van kerkelijk samenleven in het leven roepen. Hun drijfveer daarbij was de overtuiging dat vanwege de eenheid in het geloof geen enkele gemeente op zichzelf mag blijven, maar dat het haar plicht is zich in het kerkverband te voegen. Kerken waren vrij om zich aan te sluiten bij het kerkverband, maar dat mocht geen willekeurige keus zijn. ‘Gelijk in iedere plaats geen lidmaat op zich zelf mocht blijven staan, maar ieder zich bij de kerk moest voegen, zoo was het ook met de kerken ten aanzien van het kerkverband’ (J. Smetius, Synodale Ordonnantiën, blz. 68). Dat niet-willekeurige gold voor aansluiten bij het kerkverband, maar het gold evenzeer voor breken met het kerkverband: ‘wanneer de kerken eenmaal de eenheid in het kerkverband hebben aanvaard, dan staat het eene kerk ook niet vrij, dat verband te breken, tenzij de kerken, met wie zij in gemeenschap leeft, den grondslag der samenleving, de belijdenis naar Gods Woord, hebben verlaten’ (Voetius, Pol. Eccl. IV, blz. 168).
2.3 Karakter van het kerkverband
Op die grond werd op de synode van Emden (1571) door de Nederlandse kerken uit de Reformatie een kerkelijke organisatie afgesproken. Omdat er eenheid in belijden was, was er grond en reden om verder alle dingen die nodig waren gezamenlijk te regelen. De kerkelijke afspraken vormen dus niet de grond onder het kerkverband, maar ze vloeien eruit voort. De eenheid in belijden vormt de grond onder het kerkverband en zolang die eenheid in stand is, dringt dit ook tot organisatorische eenheid.
De gereformeerde kerken beoogden zoals gezegd een organisatie waarbij enerzijds de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente voluit tot zijn recht kon komen en anderzijds de saamhorigheid en samenwerking onderling tot openbaring kon komen, omdat de gemeenten één zijn in Christus en omdat zij elkaar moeten helpen om Zijn inzettingen en Zijn leer zuiver te bewaren.
De gereformeerde kerken kregen een ‘presbyteriaal-synodale’ kerkregering. In de naam van dit stelsel vind je beide elementen terug: allereerst (en niet voor niets vooropgaand) een nadruk op de plaatselijke kerk met haar ambtsdragers (presbyter = ouderling), maar vervolgens ook het samenkomen van die plaatselijke kerken in meerdere vergaderingen (synode = meerdere vergadering).
In het presbyteriaal-synodale stelsel ligt het uitgangspunt bij de plaatselijke kerk. Elke plaatselijke kerk is een zelfstandige en volwaardige kerk van Christus. Zij heeft van Hem de kerkelijke macht ontvangen en die macht wordt door de ambtsdragers van de gemeente uitgeoefend. Tussen de verschillende ambten is er geen verschil in macht, wel is er onderscheid in taken. Het achterliggende principe is dat God Zelf in Christus de eigenlijke regering uitoefent in Zijn kerk en dat Hij dat doet via de dienst van de gezamenlijke ambtsdragers.
De plaatselijke kerken komen vervolgens samen in classes en synoden, de zogenaamde meerdere vergaderingen. Het ‘meerdere’ ziet op het feit dat het vergaderingen zijn van meerdere kerken. Deze meerdere vergaderingen hebben geen eigen macht, maar de plaatselijke kerken brengen in deze vergaderingen door middel van afvaardiging hun macht samen. De meerdere vergaderingen hebben dus een afgeleid gezag en ze hebben een beperkte, dienende macht. Ze kunnen alleen zaken behandelen die in de mindere vergadering niet behandeld konden worden of die het belang van de kerken als geheel betreffen (art. 30 KO). Via de meerdere vergaderingen waarin de kerken samenkomen wordt uitdrukking gegeven aan de gemeenschap van de kerk die verder reikt dan alleen de plaatselijke gemeente. Zo is onderlinge opbouw mogelijk en kunnen gemeenten elkaar op koers houden als het gaat om Schrift en belijdenis.
De meerdere kerkelijke vergaderingen vormen niet samen de eigenlijke kerk waarvan de plaatselijke kerken afdelingen zouden zijn. Ook is het niet zo dat de kerkelijke macht door Christus eigenlijk aan de meerdere vergaderingen geschonken is en van daaruit afdaalt op de plaatselijke kerken en kerkenraden. De plaatselijke kerk is uitgangspunt. De gelovige krijgt een plaats binnen de geschiedenis. Hij vindt het heil door de bediening van het Woord en dat gebeurt in de plaatselijke gemeente. Dit is echter geen tegenstelling met de betekenis van het kerkverband. Plaatselijke kerk en kerkverband bevinden zich niet in een concurrentiepositie ten opzichte van elkaar, zij vullen elkaar zelfs niet aan. Zij behoren zo vanzelfsprekend bij elkaar, dat de Schrift het woord ‘kerk’ zowel voor de plaatselijke kerk als voor de bovenlokale gemeenschap van kerken kan gebruiken (Gal. 1,13, 22; 1 Kor. 15,9; Hand. 9,31).
Dus hoewel de volgorde presbyteriaal-synodaal veelzeggend en principieel is voor ons kerkstelsel, mag over het kerkverband niet op een wezenlijk andere manier gesproken worden dan over de plaatselijke kerk. Ook in het kerkverband gaat het om een samenkomen van Christus’ kerk die één is, door Hem Zelf bijeen gebracht door Zijn Geest en Woord.
Dat het primaat bij de plaatselijke kerk ligt, betekent niet dat die plaatselijke kerk autonoom is en dat de kerken niet gebonden zouden zijn aan onderlinge afspraken. Middels hun afgevaardigden hebben de kerken indirect zelf die afspraken gemaakt. De besluiten van de meerdere vergaderingen hebben een bindend karakter. De kerken beloven zich daarnaar te schikken, ook al zou men het niet met de beslissing eens zijn. Dat ligt alleen anders als een kerkenraad van oordeel is dat het genomen besluit in strijd is met Gods Woord, de belijdenis of de kerkorde. Dan conformeert deze kerkenraad zich niet en moet hij revisie vragen dan wel appel instellen en aantonen dat het besluit onjuist was. Over deze laatste mogelijkheid wordt in art. 31 K.O. gesproken als er staat: ‘Wat bij meerderheid van stemmen uitgesproken is, zal voor vast en bondig worden gehouden, tenzij bewezen wordt, dat dit in strijd is met het Woord van God, de belijdenis of de kerkorde.’
Het presbyteriaal-synodale kerkstelsel neemt op deze manier een tussenpositie in tussen het episcopale en het congregationalistische kerkstelsel. Het episcopale kerkstelsel is hiërarchisch van aard en kent een duidelijke scheiding tussen geestelijken en leken; de kerk wordt uiteindelijk bestuurd door één persoon die aan het hoofd staat. Radicaal daartegenover staat het congregationalisme, waarbij de leden van de gemeente (die volledig autonoom is) de zeggenschap hebben. In het presbyteriaal-synodale stelsel geldt dat de kerkelijke macht ligt bij ambten die door Christus gegeven zijn aan de plaatselijke gemeenten. Het is de verantwoordelijkheid van de ambtsdragers om gezamenlijk leiding te geven aan de gemeente en de plaatselijke gemeenten komen via afvaardiging samen in de meerdere vergaderingen om leiding te geven aan het leven van de kerken samen.
2.4 Samenvattende lijnen
De gereformeerde kerken beschouwden het kerkverband als noodzakelijk vanwege de eenheid in Christus. Als die eenheid in Christus er is, is een elkaar zoeken geboden, en waar die eenheid ontbreekt, is een gezamenlijk optrekken niet mogelijk. Het spreekt vanzelf dat dit ook iets zegt over onze vrijheid vandáág, om een kerkverband aan te gaan, óf te verbreken.
Het kerkverband bestaat niet omdat er meerdere vergaderingen worden gehouden, maar het kerkverband bestaat omdat de plaatselijke kerken één zijn in belijden en op grond daarvan samenkomen in vergaderingen. Het kerkverband houdt daarom ook niet op als er (tijdelijk) geen meerdere vergaderingen gehouden kunnen worden. Het kerkverband houdt op wanneer er gezamenlijk geconcludeerd wordt dat er geen eenheid in belijden meer is.
Betekent het sluiten van de synode zonder roepende kerk aan te wijzen dat het kerkverband niet langer bestaat?
vastlopen van de synode betekent niet dat het kerkverband geëindigd is
De sluiting van de synode zonder het aanwijzen van een roepende kerk is ingrijpend. Je zou het aanwijzen van een roepende kerk kunnen vergelijken met het uitwerpen van een anker naar de toekomst. Een roepende kerk heeft tot taak om de andere kerken op de afgesproken tijd bij elkaar te roepen om weer samen te komen voor een volgende synode. Een volgende synode waarborgt de continuïteit van wat we samen hebben afgesproken. Het is een belofte en een hoop dat we over drie jaar elkaar als kerken weer zullen treffen en in de tussentijd als kerken samen zullen werken aan de roeping, de afspraken en de opdrachten die we als kerken samen hebben. Door geen roepende kerk aan te wijzen wordt als het ware de weg naar de toekomst geblokkeerd. De weg naar het bijeenkomen van een volgende synode is moeilijk begaanbaar gemaakt en het samenleven van de kerken in het kerkverband wordt daardoor gefrustreerd. Maar het is niet zonder meer het einde van het kerkverband zelf.
Zoals gezegd, is de grond onder het kerkverband niet het bijeenkomen van de kerkelijke vergaderingen. De grond onder het kerkverband is de gemeenschappelijke belijdenis, de eenheid in Christus. Als de onlangs gesloten synode voor zichzelf tot de conclusie kwam dat het niet gelukt is om aan de opdracht van art. 30 KO op een goede wijze te voldoen (of, op een andere plaats in de brief verwoord als ‘de synode is vastgelopen’), dan is dat op zichzelf verdrietig en ernstig. Echter, dan is niet ineens het fundament weg waarop het kerkverband staat. Als de gedachte leeft dat dat fundament niet meer intact is, dan zal dáár het gesprek over gevoerd moeten worden, maar tot dusver heeft de synode dát niet uitgesproken en ook in de verantwoording die deputaten vertegenwoordiging geven in hun brief wordt daar niets over gezegd. Het feit dat de synode naar eigen inzicht haar taak niet goed heeft kunnen uitvoeren zegt op zich nog niet dat het kerkverband beëindigd is.
In de brief die deputaten vertegenwoordiging naar de kerken stuurden klinkt deze suggestie echter wel. Er wordt namelijk gezegd dat het na sluiting van deze synode aan de plaatselijke kerken is om te bepalen of zij zich opnieuw willen vergaderen in een synodale vergadering, en hoe dan en met welke gemeenten dan. Een zich opnieuw verenigen in een verband met kerkelijke vergaderingen kan alleen maar als het huidige verband niet meer zou bestaan. In de brief van deputaten vertegenwoordiging lijkt dit verbonden te zijn met de gedachte dat een niet goed functioneren van een aantal artikelen uit de kerkorde daartoe onherroepelijk zou leiden.
niet goed functioneren van de kerkorde betekent niet dat het kerkverband geëindigd is
Zoals gezegd gold als één van de argumenten om de vergadering te sluiten zonder een roepende kerk aan te wijzen ‘de erkenning dat de synode niet aan haar opdracht naar art. 30 K.O. heeft kunnen voldoen’. Ter verduidelijking hiervan schreef het toenmalig moderamen in zijn rapport: ‘functioneert artikel 31 K.O. nog wel als de praktijk iets anders laat zien? En wanneer dat ter discussie staat, hoe kan de synode dan nog in lijn met artikel 30 K.O. (‘te behandelen wat in de mindere niet kon worden afgedaan, of wat behoort tot de kerken van de meerdere vergadering in het algemeen’) leiding geven aan het kerkverband?’.
Hier worden art. 30 en 31 KO genoemd als artikelen waarvan wordt betwijfeld of deze in de praktijk van het kerkelijk samenleven nog functioneren. En evident is dat de synode zelf expliciet afweek van de kerkorde door geheel tegen art. 50 KO in te besluiten de vergadering te sluiten zonder een nieuwe roepende kerk aan te wijzen.
Als het op zijn minst onduidelijk is of de kerkorde nog wel naar behoren functioneert, moet dan de conclusie niet zijn dat de kerkorde daarmee niet langer geldt als kerkelijk gezag waarop de kerken gezamenlijk zich kunnen blijven beroepen? En als de kerkorde niet langer gezien kan worden ‘als kerkelijk gezag waarop de kerken zich gezamenlijk kunnen beroepen’, is daarmee dan niet een essentiële pijler onder het kerkelijk samenleven komen te vervallen? Oftewel: kunnen we nu dan nog wel samenleven als kerkverband?
Het is belangrijk om te zien dat een kerkorde geen zelfstandig gezag heeft. Een kerkorde bevat de afspraken die de kerken maken om samen kerk te zijn en te blijven zoals ze elkaar herkenden en ontvingen: als kerken die Christus als hun Heere belijden en die in die eenheid van belijden zich gezamenlijk geven om Hem in deze wereld te dienen. Daarom zijn kerkelijke afspraken belangrijk. Tegelijk zijn kerkelijke afspraken daarom nooit belangrijk op zichzelf. Ze gaan om Christus, om het belijden van Hem, om Zijn Woord en Zijn Geest.
De constatering dat kerken zich niet (op de goede manier) aan kerkordeartikelen houden, betekent op zichzelf nog niet dat daarmee de kerkorde zijn betekenis heeft verloren. Zo is ook het kerkordelijk onterechte besluit om de synode te sluiten zonder roepende kerk aan te wijzen, op zich nog geen vrijbrief om dan als plaatselijke kerken massaal de kerkorde los te laten. De kerkorde is immers een uitwerking van het gezamenlijk belijden. En met alle geuite verschillen hebben de kerken nooit uitgesproken en besloten dat het fundament waarop we elkaar herkenden en aan elkaar gegeven zijn geen gezamenlijk fundament meer is. Er is dus alle reden om de onder ons geldende kerkorde te blijven volgen en om aan de hand daarvan te blijven handelen als kerken die samen kwamen en samen horen als kerken van Christus.
Dat betekent niet dat het onbelangrijk is als de kerkorde in de praktijk niet goed functioneert of zelfs rechtstreeks wordt overtreden. Dat is ernstig, juist omdat de kerkorde een uitwerking is van het gezamenlijk belijden. En daar moet dringend over verder gesproken worden. Maar een niet goed omgaan met de kerkorde (en zelfs een rechtstreeks overtreden van de kerkorde, hoe kwalijk ook) betekent nog niet dat de kerkorde op zich buiten gebruik is gesteld en dat er geen sprake meer zou zijn van een kerkverband. De kerkorde is niet de grond onder ons kerkverband, maar vloeit er uit voort. De grond is de eenheid in belijden. En hoe moeilijk het ook geworden kan zijn om elkaar te verstaan en vast te houden, elkaar loslaten als kerken kan en mag alleen als vastgesteld wordt dat de eenheid van belijden niet meer bestaat. Als Christus niet meer als gekruisigde en opgestane Heer wordt beleden en Gods Woord niet meer als Gods Woord wordt aanvaard. Dán is de kerk losgeslagen van haar fundament.
Maar dat is niet per se zo als de kerkorde niet in alles is/wordt gevolgd. Hoe verdrietig en verontrustend de huidige kerkelijke situatie ook is, we zijn nog steeds kerken op hetzelfde fundament en daarom is er alle reden ons aan de kerkorde te houden en ons ook te blijven organiseren zoals we altijd deden, al heeft de generale synode ook nagelaten een roepende kerk aan te wijzen voor een volgende synode.
Ons kerkverband is niet gegrond op het samenkomen in meerdere vergaderingen en is ook niet gegrond op de gezamenlijk genomen besluiten, maar ons kerkverband is gegrond op de eenheid in belijden die als fundament onder dat samenkomen en samen besluiten ligt. En dat fundament is niet weg nu de synode vastgelopen is in haar werk, hoe ernstig dat laatste ook is.
Vergaderen op een ánder fundament dan de eenheid in Christus is geen optie, zegt onze belijdenis. Het is niet aan ons om te bepalen wie er bij de kerk van Christus horen en met wie we ons hebben te verenigen. En het staat ons niet vrij om naar eigen inzicht te kiezen met wie we graag samen kerk zouden willen zijn. We belijden dat de kerk daar is waar Christus door Zijn Geest zich een gemeente vergadert. En we belijden dat allen die van Christus zijn zich bij deze kerk moeten voegen. Als Christelijke Gereformeerde Kerken hebben we elkaar tot op de dag van vandaag steeds erkend en herkend als gemeenten van Christus. Nooit is door middel van bijvoorbeeld een officiële leeruitspraak uitgesproken dat we elkaar niet meer kunnen erkennen in Christus wanneer een gemeente de ambten openstelt voor zusters. Daarom zijn we volgens onze belijdenis gehouden de eenheid met elkaar te bewaren en voort te zetten.
Samenvattend
Het is ingrijpend en ernstig dat het besluit genomen is om geen nieuwe synode bijeen te roepen. Maar dit besluit op zich heft het kerkverband niet op. Wel is het risico reëel dat kerken afhaken uit de kerkelijke structuren, het vertrouwen verliezen, of eigen wegen gaan zoeken. Daarmee komt de feitelijke samenhang en eenheid van het verband wel onder druk te staan. Juist dan is het echter des te belangrijker dat kerken die trouw willen blijven aan Schrift, belijdenis én kerkorde het verband niet loslaten, maar zich inzetten voor herstel van orde, gehoorzaamheid en geestelijke gemeenschap. Dat is de weg die past bij de gereformeerde overtuiging dat Christus Zelf Zijn kerk vergadert, beschermt en onderhoudt — ook in moeilijke tijden.
4. Maar hoe moet het dan concreet verder met het kerkverband?
Nadrukkelijk stelden we in de vorige zin dat het er nu op aankomt dat de kerken zich zullen inzetten voor herstel van orde, gehoorzaamheid en geestelijke gemeenschap. Want met een constatering dat het kerkverband niet weg is door het genomen besluit zijn we er niet. Er is wel degelijk een groot probleem. Als we concluderen dat de orde en gehoorzaamheid en geestelijke gemeenschap hersteld moeten worden, dan zeggen we daarmee ook dat die op dit moment ernstig geschaad zijn. Hoewel kerkordelijke regels nooit regels op zich zijn, is een zich niet houden aan kerkordelijke regels een ernstig teken dat er iets heel grondig mis is. Het fundament van eenheid in belijden uit zich in een gezamenlijk optrekken in meerdere vergaderingen en gezamenlijk houden aan afspraken die gemaakt worden. Dus als de trouw aan gemaakte afspraken weg is, dan is er zeer indringend gesprek nodig over de oorzaak daarvan. En als de kerkelijke vergaderingen ofwel niet meer uitgeschreven worden ofwel vergaderen terwijl sommige kerken hun plek leeg willen laten, dan is er iets dat diepgaand hersteld moet worden.
Maar tegelijk zeggen we op grond van de principiële lijnen die hierboven genoemd zijn dat er geen andere weg is die kerkelijk en kerkordelijk gegaan kan worden dan om die orde, gehoorzaamheid en geestelijke gemeenschap te herstellen. Daarvoor is een eerste voorwaarde dat de kerken elkaar blijven ontmoeten en dat de kerkelijke structuren die er zijn gewoon gevolgd worden. En vervolgens dat het gesprek dat op de synode níet lukte om te voeren alsnog gevoerd wordt. De kerken kunnen alleen maar gezamenlijk, bij een open Schrift, tot conclusies komen. Misschien zélfs wel dat de eenheid in Christus niet langer bestaat. Dat zou verschrikkelijk zijn als dat geconcludeerd zou moeten worden, maar dán is er grond om uit elkaar te gaan. Eerder is er op grond van de Schrift en onze belijdenis geen mogelijkheid om dat te doen.
Heel concreet doen we dus een oproep aan de kerken om bijeen te blijven komen in de gewone structuren die we als kerken hebben: de classes, de particuliere synoden – en uiteindelijk ook weer in een generale synode. Kerkordelijk gezien is daar alle ruimte voor, omdat het kerkverband nog bestaat en de kerkorde nog geldt en gevolgd moet worden. En kerkelijk gezien is daar alle reden voor, omdat we nooit als kerken hebben uitgesproken dat we niet meer bijeen horen om Christus’ wil. Dus is er niet alleen kerkrechtelijk alle ruimte en kerkelijk alle reden, maar is het niet minder dan onze roeping om als kerken die elkaar in Christus erkenden en ontvingen samen te blijven komen.
We maken dit nog wat concreter door het beantwoorden van een aantal vragen die ons veel worden gesteld op dit moment. Wanneer de kerken gerichte vragen hebben, ook veel verder gaand dan in dit stuk verwoord kon worden, dan staan we daar zeer voor open en zullen we zo goed mogelijk proberen ook die vragen van antwoorden te voorzien.
Voor nu noemen we slechts deze vragen:
–
Kunnen en moeten de classes nog bijeenkomen?
De classis functioneert nog als wettige vergadering
Gezien het bijzondere kerkelijke klimaat, waarin de generale synode gesloten is zonder het aanwijzen van een roepende kerk, is de vraag gerechtvaardigd of het verantwoord en mogelijk is dat de classis nog bijeenkomt en bepaalde zaken in behandeling neemt. De kerkorde voorziet erin dat classes als meerdere vergaderingen bijeenkomen. Het sluiten van de generale synode zonder aanwijzen van een roepende kerk heeft geen directe gevolgen voor het bestaan of functioneren van de classis. De classis heeft dus formeel en feitelijk de bevoegdheid om bijeen te komen en de zaken die om behandeling vragen ook daadwerkelijk in behandeling te nemen. En er zou ook goede reden kunnen zijn om als classis vervroegd bij elkaar te komen nu de kerkelijke situatie zo ingewikkeld is, zodat de kerken gezamenlijk de situatie kunnen overzien en daar over spreken.
–
Kunnen de classes nog besluiten nemen over bijvoorbeeld het afgeven van attesten, maar ook als het gaat om ingrijpende zaken als losmaking of afzetting uit het ambt?
De rechtsbescherming is ernstig gemankeerd
De situatie waarin de classis zich bevindt, is uniek en buitengewoon: er lijkt momenteel geen of nauwelijks mogelijkheid tot appel. In ieder geval is die mogelijkheid er niet tot op de breedste vergadering van onze kerken als hoogste appelinstantie. Dat betekent dat een eventueel besluit definitief kan zijn, zonder verdere rechtsbescherming voor betrokken partijen. Dat gegeven maakt dat de classis met uiterste zorgvuldigheid en behoedzaamheid te werk moet gaan. Maar het ontslaat haar niet van de verantwoordelijkheid om te handelen. Want ook het niet nemen van een besluit heeft vaak ingrijpende gevolgen. Het streven naar maximale rechtvaardigheid in onvolkomen omstandigheden vraagt om wijsheid en zeer grote zorgvuldigheid, maar leidt niet tot verlamming.
Bij een te nemen besluit over losmaking of tucht moet de classis nadrukkelijk erkennen dat het ontbreken van de mogelijkheid van een rechtsgang tot aan de breedste vergadering van de kerken een ernstige beperking van de rechtspositie voor de betrokkenen meebrengt. Daarom is des te meer van belang dat het dossier volledig is, dat hoor en wederhoor grondig zijn toegepast, dat alternatieven zijn overwogen en dat een zwaarwegende motivering wordt opgenomen in het geval van besluitvorming. De classis zal zich moeten afvragen wat het minste onrecht oplevert in de onvolkomen situatie waarin de kerken zich nu bevinden en hoe hij zo zorgvuldig mogelijk kan handelen in het licht van de buitengewone omstandigheden. Hoewel de afwezigheid van het hoogste beroepsorgaan in onze kerken zwaar weegt, mag dit geen reden zijn om in alle gevallen besluitvorming uit te stellen of te blokkeren. Tegen besluiten van de classis kan nog wel beroep worden aangetekend bij de particuliere synode en bij een blijvend bezwaar staat in het uiterste geval een beroep op de rechter open voor een betrokkene.
Van belang is dat het appelrecht zo snel mogelijk weer tot aan de breedste vergadering hersteld wordt. Tot die tijd is het nodig dat de classes met nog meer zorgvuldigheid dan normaal zoeken om het meest rechtvaardige oordeel te vellen dat in hun vermogen ligt.
–
Hoe wordt de weg naar een nieuwe generale synode geopend?
Het is daarvoor belangrijk dat er alsnog een roepende kerk wordt aangewezen. De synode legde de verantwoordelijkheid daarvoor in de handen van de plaatselijke kerken, terwijl het kerkordelijk gezien de verantwoordelijkheid van de synode was om dat te doen. Nu het kerkrecht op dit punt niet is gevolgd, is het niet vreemd dat de kerkorde niet een weg wijst hoe het dan nu verder moet. Het meest in lijn met zowel de kerkorde als met het genomen synodebesluit (dat kerkordelijk dus geheel onjuist is) lijkt te zijn dat de plaatselijke kerken nu een nieuwe roepende kerk aanwijzen. De kerk van Dordrecht-Zuid heeft dat laatste gedaan, door aan te geven dat zij de kerk van Hoogeveen, die al tijdens de synodevergaderingen genoemd werd als de kerk die tot roepende kerk zou worden aangewezen, als zodanig beschouwt. Ze vraagt aan andere kerken om daarmee in te stemmen en op die manier als kerken gezamenlijk de verantwoordelijkheid te nemen voor het aanwijzen van een nieuwe roepende kerk. Die weg lijkt ons niet in strijd met de bedoeling van de kerkordelijke bepalingen.
De kerkorde noemt ook de mogelijkheid dat twee particuliere synoden om een (vervroegde) generale synode vragen, maar ook voor die mogelijkheid is een roepende kerk nodig die vervolgens alle kerken samenroept voor die vergadering.


