Vanuit de kerken en classes zijn aan deputaten kerkorde en kerkrecht de nodige adviesvragen gesteld naar aanleiding van de besluiten van de generale synode (hierna: GS) met betrekking tot vrouw en ambt. Ook ontvingen deputaten signalen dat er in de kerken verwarring is over hoe er op de classis gehandeld dient te worden. Omdat het tot he takenpakket van deputaten behoort om de kennis en de juiste toepassing van het kerkrecht (…) te stimuleren, stuurden zij aan alle kerkelijke vergaderingen een brief met de onderstaande vragen en antwoorden.

Zijn de besluiten van de laatste GS aangaande vrouw en ambt reeds in werking getreden of zijn die opgeschort vanwege de ingediende revisieverzoeken?

In de integrale regeling voor de revisie- en appelprocedure (IRRA) staat onder 4.5: ‘Een revisieverzoek tegen een primair besluit heeft opschortende werking totdat op het verzoek is beslist.’ Opschortende werking wil zeggen dat het besluit nog niet ten uitvoer kan worden gebracht omdat er revisieverzoeken zijn ingediend. De volgende synode dient dan eerst te beoordelen of er argumenten zijn ingebracht die in het eerdere besluit niet of onvoldoende gewogen zijn, waardoor het besluit anders had moeten uitvallen. Er zijn inmiddels revisieverzoeken bij de roepende kerk van de volgende synode ingediend. Zodoende is de werking van het besluit van de laatstgehouden GS over vrouw en ambt opgeschort totdat de volgende generale synode hierover zal hebben beslist.

Maar is hier wel sprake van een primair besluit? In 1998 heeft de GS toch al een besluit genomen aangaande vrouw en ambt?

Ja, er is hier sprake van een primair besluit. In art. 1.3 van de IRRA staat de definitie van een primair besluit: ‘Een primair besluit is het oorspronkelijke besluit van een kerkelijke vergadering, dat voorwerp is van de revisie- of appelprocedure.’ Dat is hier inderdaad het geval. Het besluit over vrouw en ambt is een oorspronkelijk besluit, dat genomen is naar aanleiding van instructies en niet naar aanleiding van een appel- of revisieverzoek. Het is bovendien niet enkel een herhaling van het besluit van 1998, maar bevat elementen die verder gaan dan dat besluit.

Zijn de eerdere GS-besluiten uit 1998 aangaande vrouw en ambt nog van toepassing?

Ja. De GS-besluiten van 1998 zijn onverkort van toepassing. Wat destijds is besloten aangaande vrouw en ambt is geldend kerkrecht sinds 2001, toen de revisieverzoeken rond dat besluit afgehandeld werden verklaard. Alleen de besluiten van de GS van 2019-2022 aangaande vrouw en ambt zijn thans opgeschort.

Is het mogelijk om gemeenten die vrouwelijke ambtsdragers bevestigden te vermanen?

Dat ligt er aan wat er onder vermanen verstaan wordt. Zoals hierboven geschreven, is het zo dat vanaf het moment dat er revisieverzoeken zijn ingediend tegen het besluit rond vrouw en ambt er sprake is van opschortende werking. Tegelijk is het zo dat met het opschorten van de werking van het besluit van 2019-22 er automatisch wordt teruggevallen op de situatie van vóór 2022, namelijk de geldigheid van het besluit van 1998. Dat wil zeggen: het is in de CGK niet mogelijk om vrouwelijke ambtsdragers te bevestigen. Doen kerken dat toch, dan is er alle reden om die kerken op dat schenden van de gezamenlijke kerkordelijke afspraken aan te spreken, en in die zin te vermanen. Die vermaning is niet afhankelijk van opschortende werking van het besluit van 2019-22.

Is vermanen in tuchtrechtelijke zin geboden?

Vermaning is een begrip waarin veel meeklinkt. Het is een woord met diepe Bijbelse lading en als gevolg daarvan liggen kerkrechtelijk gezien vermaning en tucht in één lijn. Nu kan het zover komen dat een kerkenraad op deze ingrijpende manier vermaand moet worden dat er uiteindelijk tucht uitgeoefend wordt over de ambtsdragers. In het kerkrecht zoals dat in de CGK geldt, is het (in tegenstelling tot in veel andere gereformeerde kerken) in uiterste gevallen mogelijk dat een classis ambtsdragers van een plaatselijke kerk schorst en afzet. Het zal dan echter duidelijk moeten zijn dat een kerkenraad de gemeente op een weg leidt die buiten het Koninkrijk van God voert. Bij zaken die zó fundamenteel zijn kan een classis in uiterste gevallen met tucht ingrijpen. Of vermaan in die vergaande betekenis van het woord ook toegepast kan worden op kerkenraden die vrouwelijke ambtsdragers bevestigen is tot nu toe niet door een GS uitgesproken. Het besluit van de laatstgehouden GS rond vrouw en ambt lijkt daar aanzetten voor te geven, bijvoorbeeld door te spreken over een ‘zondigen tegen de liefde’ en te zeggen dat een ‘volhardend afwijken van kerkelijke besluiten op punten waar het gezamenlijk verstaan van de Schrift in het geding is op zichzelf reden is voor censuur over ambtsdragers’. Maar dit zijn nu bij uitstek uitspraken die veel verder gaan dan wat er in 1998 gezegd werd en die vallen onder de opschortende werking die de revisieverzoeken hebben. Hier kan dus niet op teruggegrepen worden als onderbouwing om op dit moment kerkenraden in deze zin te vermanen.

Is het kerkrechtelijk mogelijk dat kerkenraden die afwijken van de kerkorde slechts als waarnemers worden toegelaten op de classicale vergaderingen?

Nee. De kerkorde biedt hier geen grond voor. Ook kerkenraden die afwijken van de synodale besluiten blijven hun plaats in de kerken voluit innemen. Overigens is al eerder door deputaten in de notitie ‘De kerk, het kerkverband en het aanvaarden van geloofsbrieven’ (2019) aangegeven dat een tot waarnemer verklaren van kerken van het kerkverband, bijvoorbeeld door hun lastbrieven/geloofsbrieven te weigeren op de classisvergadering, kerkrechtelijk niet mogelijk is.