1. Inleiding

Actueel

Voorliggend stuk van deputaten kerkorde en kerkrecht handelt over de vraag wat kerkrechtelijk gezien de juiste weg is om te gaan met gemeenten die zich niet houden aan bindende kerkelijke besluiten. In het bijzonder kijken we naar de mogelijkheden die een meerdere vergadering heeft om daarop te reageren. Daarbij komen vragen aan de orde als: hoever gaat de bevoegdheid van de classis en de nog bredere vergaderingen om in te grijpen? Met dergelijke vragen houden allerlei kerkelijke vergaderingen en bezorgde kerkleden zich momenteel bezig, omdat er kerkenraden zijn die openlijk afwijken van kerkordelijke besluiten waarbij zelfs toegewezen appels tegen dat afwijken niet leiden tot verandering van handelen.
Vanuit de kerken wordt aan deputaten kerkorde en kerkrecht gevraagd welke maatregelen tegen kerkenraden genomen kunnen worden binnen de kaders van de kerkorde en de beginselen van het gereformeerde kerkrecht. Op GS-niveau worden voorstellen gedaan om de kerkorde aan te passen, omdat de huidige kerkordelijke bepalingen onvoldoende mogelijkheden zouden bieden om afwijkende gemeenten tot de orde te roepen.

Wanneer we in dit stuk in het algemeen iets willen zeggen over de mogelijke gevolgen van het afwijken van kerkordelijke bepalingen is een complicerende factor dat de roep om maatregelen zich vooral toespitst op enkele onderwerpen die op dit moment onderwerp van gesprek zijn en voor grote onrust zorgen. Het afwijken van kerkelijke besluiten op zich blijkt namelijk lang niet altijd te leiden tot veel discussie en de vraag om ingrijpen. Het feit dát er kerkenraden zijn die zich niet houden aan bindende kerkelijke afspraken is niet nieuw. Zo zijn er plaatselijke gemeenten die de praktijk kennen van het doen van belijdenis van de waarheid, tegen het besluit in dat er belijdenis van het geloof gevraagd moet worden (besluit GS 1950), er zijn kerken die zich structureel niet houden aan de frequentie van de Avondmaalsviering (in strijd met art. 63 K.O.), er zijn kerken die zonder instemming of begrip van de classis over zijn gegaan tot het houden van één dienst per zondag (in strijd met art. 64 K.O.), er zijn afwijkingen geweest van de bepalingen rond het kerkgezang (art. 69 K.O.) en er zijn enkele gemeenten waar ambtsdragers niet herbevestigd worden (in strijd met art. 22 K.O., lid 1). En er zouden nog meer voorbeelden te noemen zijn.
Wat de vragen van nu dringender maken is wellicht het feit dat er appelzaken geweest zijn waarbij het appel werd toegewezen, maar door de plaatselijke kerk niet werd opgevolgd, en het feit dat het gaat om zaken waarbij de GS bepaalde uitspraken heeft gedaan over het spreken van de Schrift, en waarbij een plaatselijke gemeente zegt: en toch volgen wij die lijn niet. Nu moet wel worden opgemerkt dat de GS niet in alle onderwerpen die nu voor onrust zorgen ook daadwerkelijk een principiële uitspraak heeft gedaan over wat de Schrift op dat punt zegt, maar het gevoelen is in ieder geval: het gaat hier om zaken die raken aan wat de Schrift zegt, en wat dan als gemeenten op die punten een eigen koers varen? Toch is het in dit bezinningsstuk wel belangrijk om vast te houden aan een zuivere kerkrechtelijke benadering, los van de onderwerpen die nu zo sterk spelen, los ook van een oordeel op voorhand over óf er echt sprake is van een principieel andere situatie nu (immers, bij sommige andere situaties zou gevraagd kunnen worden of die niet óók raken aan het spreken van de Schrift), en om ons te houden aan de hoofdvraag van dit stuk: wat zijn kerkrechtelijk gezien de mogelijkheden voor een kerkverband wanneer plaatselijke kerken zich onttrekken aan bindende kerkelijke besluiten?

Leeswijzer

Deputaten proberen in deze notitie op zoek te gaan naar kerkrechtelijke antwoorden op de vraag hoe te handelen als een kerk zich niet conformeert aan synodale besluiten.1 Een eenvoudig antwoord is niet te geven. Om een goed onderbouwd antwoord te geven dat recht doet aan de kerkorde en de beginselen van het gereformeerde kerkrecht, zullen we dieper moeten afsteken en grondig moeten nagaan welke lijnen vanuit het kerkrecht getrokken kunnen worden.
We beginnen in paragraaf 2 met de vraag naar de kerk: wat geloven we aangaande de kerk? Wat zijn de eigenschappen en de kenmerken van de kerk? Vervolgens gaan we in paragraaf 3 in op het karakter van ons kerkverband. Hoe is ons kerkverband in essentie vormgegeven? Wat is de verbondenheid die kerken met elkaar zijn aangegaan? Wat betekent het presbyteriaal-synodaal stelsel? In paragraaf 4 staan we stil bij de aard en de bevoegdheden van de meerdere vergaderingen. Wat is de rol van de classis? Hoe bindend zijn synodale besluiten? Paragraaf 5 handelt over de rol van de meerdere vergaderingen bij de kerkelijke tucht. Is er tucht mogelijk over een gehele kerkenraad en, zo ja, in welke gevallen? Vervolgens geven we in paragraaf 6 een korte verhandeling van de instrumenten die het kerkrecht aan meerdere vergaderingen biedt om te handelen met plaatselijke kerken die zich niet houden aan kerkordelijke besluiten. We ronden af met een samenvatting in paragraaf 7.

2. Wat geloven we aangaande de kerk?

Het fundament

De kerk is gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten waarvan Jezus Christus Zelf de hoeksteen is.2 De kerk heeft dus een zeer stevig, onwankelbaar fundament. Jezus zegt zelf dat Hij zijn gemeente gaat bouwen op de belijdenis van Petrus: ‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God’ (Mattheus 16:18). Dit persoonlijke vertrouwen in Christus is het waarmerk van de kerk. Allen die hun vertrouwen in Christus gesteld hebben, zoals Petrus gedaan heeft, vormen gezamenlijk de kerk. Petrus geeft uitdrukking aan deze waarheid als hij zegt: ‘Voeg u bij Hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om Zijn kostbaarheid, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn’.3
Jezus Christus is de hoeksteen van het fundament en de eigenaar-bouwer van de kerk. De kerk wordt niet gebouwd door mensen, ze wordt gebouwd door de eigenaar zelf. Jezus zei ‘Ik zal Mijn gemeente bouwen’ (Matth. 16:18). We moeten ons steeds weer realiseren dat de kerk niet van ons is, maar van Jezus Christus. Hij bouwt Zijn kerk op Petrus, in diens kwaliteit als belijder, als apostel, ooggetuige van Jezus’ weg en werk, door Hem geroepen en met volmacht bekleed.4
Met Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus belijden we dat onze Heere Jezus Christus Zélf Zich een gemeente verzamelt en dat Hij die voor altijd beschermt en onderhoudt. De kerk is dus geen vereniging, die statuten en reglementen vaststelt en een bestuur kiest. De kerk is ook geen democratisch orgaan of iets waarover wij zeggenschap hebben. De kerk is dat onze Heere Jezus Christus van het begin van de wereld tot aan het eind Zich uit het gehele menselijke geslacht door Zijn Geest en Woord in de eenheid van het ware geloof een gemeente verzamelt die tot het eeuwige leven is uitverkoren.
Kortom: de Heere Jezus bouwt de kerk op het fundament van de apostelen. Hij is de eigenaar en de bouwer van de kerk, niet wij. Op deze toonhoogte spreken we over de kerk.

De eigenschappen

We belijden met de geloofsbelijdenis van Nicea wat de eigenschappen of wezenskenmerken van de kerk zijn: één, heilig, katholiek en apostolisch. Die eigenschappen zeggen wat aan de kerk als kerk inherent is. Om kerk te zijn, kan zij geen van deze eigenschappen missen. Het is aan haar wezenlijk eigen om één, heilig, katholiek en apostolisch te zijn. Deze eigenschappen staan niet los van elkaar, maar hangen met elkaar samen, en zijn gave en opgave tegelijk. Als kerk van Christus is de kerk één, heilig, katholiek en apostolisch. Maar ze is dat alles om het steeds meer te worden.

1. De kerk is één. Dat wil zeggen dat de kerk enkelvoudig is en niet meervoudig. Er kunnen niet meerdere kerken zijn. Er is immers één God en één Heere Jezus Christus. De Kerk is het lichaam van Christus waarvan Hij het Hoofd is (Efeze 1,23-24).5 In de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek wordt benadrukt dat we in de leer van de kerk niet uitgaan van wat wij om ons heen zien, maar dat we ons steeds moeten afvragen wat we in geloof van de kerk kunnen zeggen. ‘Het eerste is dan niet dat zij één behoort te zijn, maar dat zij één is. Het is aan de kerk eigen om één te zijn’.6 Vervolgens wordt daar benadrukt dat die eenheid dan ook uit moet komen in de concrete gestalte van de kerk. ‘De eenheid van de kerk is in Hem (Christus) gegeven. Hij is het Hoofd van de gemeente. Wie Hem toebehoren, horen bij elkaar. Dat is een geestelijke eenheid te noemen, als er maar niet mee bedoeld wordt dat de eenheid niet zichtbaar is. De eenheid van de kerk moet voor ieder zichtbaar zijn (Joh. 17:21)’.7 Juist omdat de eenheid aan de gemeente gegeven is, wordt zij ertoe geroepen. Er is één lichaam, één Geest, één Heere, één God en Vader van allen. Daarom zijn de gelovigen geroepen zich te beijveren de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de vrede.8 Geestelijke eenheid moet ook in het kerkelijk leven gestalte krijgen. Of zoals prof. K. Schilder zei: ‘Geestelijke eenheid gaat wel voorop, maar moet dan ook dringen tot institutaire’.9 Dat het lichaam van Christus in de loop van de eeuwen gedeeld is geworden, is een situatie die pijn doet en moet blijven doen en die roept om het elkaar zoeken van de kerken onderling.
2. De kerk is heilig. De kerk is een groep die apart gezet is, door God uit de wereld geroepen om aan Hem toe te behoren. De heiligheid vindt de kerk dus niet in zichzelf, maar in Christus, Die haar tot heiliging geworden is (1 Korinthe 1: 30). De heiligheid van de kerk is niet gefundeerd op een morele zuiverheid of op de volmaaktheid van een ethische levenswandel. De kerk is heilig in en door Jezus Christus. De kerk is niet heilig krachtens hetgeen zij zelf meebrengt of doet, de heiligheid drukt haar relatie tot God uit. De kerk is heilig hoewel dit volk van nature ongehoorzaam is: door het geloof gerechtvaardigd en geheiligd. De heiligheid is gave en tegelijk opgave. Ook deze eigenschap van de kerk is geestelijk, maar niet onzichtbaar. Juist in de heiligheid van de kerk moet de wereld zien dat God op aarde een volk heeft dat Hem toebehoort (1 Petr. 2:9,10). Prof. Van Genderen zegt in de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek dat ook als het over de heiligheid van de kerk gaat geldt dat zij moet worden wat zij is. ‘De gemeente is in de gemeenschap met Christus heilig om het in gehoorzaamheid aan Hem hoe langer hoe meer te worden en het door de genade van God eens volkomen te zijn’10.
Waarbij geldt: ‘De heiligheid van de kerk hangt niet af van de onberispelijkheid van haar leden, maar is gebonden aan de zuivere bediening van het Woord en de sacramenten, waaraan de belofte van de Heilige Geest is gegeven’.11
3. De kerk is katholiek. Katholiek is in oorsprong een Grieks woord dat ‘over het geheel verspreid’ (algemeen, universeel) betekent. De kerk kent geen grenzen van geslacht of leeftijd, stand of rang, nationaliteit of taal en heeft een boodschap die bedoeld is voor alle mensen. De katholiciteit van de kerk is verbonden met het gezag van haar Hoofd. In Hem is de volheid, de compleetheid van het heil en de waarheid. De katholiciteit is daarom niet alleen kwantitatief op te vatten, maar ook kwalitatief. Het gaat om de volheid van Christus. ‘Het is de volle waarheid, het volle heil in Christus, de centrale openbaring van God, dat alles waarin de kerk in gemeenschap met Christus haar Hoofd delen mag’.12 Evenals de eenheid en heiligheid is ook de katholiciteit van de kerk zowel gave als opdracht. ‘Als wij katholiek zijn, houdt dat in, dat wij willen leven uit de volheid die in Christus gegeven is, en we willen groeien naar de volheid, en dat met alle heiligen samen (Ef. 3:14-18)’.13 Het wil zeggen dat we strijden tegen eenzijdigheden, van welke aard ook, en geen kerken of christenen uitsluiten die Hij niet uitsluit, maar ook niet insluiten wat Hij niet insluit.
4. De kerk is apostolisch. De kerk wordt apostolisch genoemd omdat zij het stempel draagt van het werk van de apostelen en dat ook moet blijven dragen. De apostelen waren de leerlingen van Jezus, zij werden door Hem onderricht en wat zij van Hem gezien en gehoord hebben, dat hebben ze op hun beurt doorgegeven. Door de geschiedenis van de kerk heen werd zo, van generatie op generatie, de leer van de apostelen (die zij zelf van Jezus hadden ontvangen) ontvangen en weer doorgegeven. De kerk bouwt steeds voort op en keert steeds terug naar het getuigenis van de apostelen. De gemeente in Jeruzalem was de apostolische kerk doordat zij bleef volharden in het onderwijs van de apostelen (Hand. 2:42). Het apostolisch onderwijs is het evangelie zoals de apostelen het in naam van Christus verkondigden. De kerk heeft zich daaraan te houden (2 Tim. 2:2, 1 Tim 6:20). ‘De kerk kan alleen apostolische kerk zijn als zij de apostolische vermaningen ter harte neemt en niet van de waarheid afwijkt’14. De kerk is apostolisch, als ze zich aan het onderwijs van de apostelen houdt.15

De kenmerken

We moeten niet alleen weten wát de kerk is, maar ook waar zij is. Volgens artikel 28 van de NGB zijn we geroepen ons bij de kerk te voegen, en we horen daarom zorgvuldig, op grond van Gods Woord, te onderscheiden wat de ware kerk is (artikel 29 NGB). Die vraag werd in de tijd van het ontstaan van de Nederlandse Geloofsbelijdenis actueel, omdat de Rooms-Katholieke Kerk en de kerken van de Reformatie elkaar het recht betwistten zich kerk te mogen noemen. De kerken van de Reformatie formuleerden toen als kenmerken van de ware kerk drie dingen (artikel 29 NGB): de zuivere prediking van Gods Woord, de zuivere bediening van de Sacramenten en de uitoefening van de kerkelijke tucht. De kenmerken van de kerk hebben een kritische functie: in positieve zin, omdat ze ons laten zien welke kerk echt kerk van Christus is, en in negatieve zin omdat ze ook duidelijk maken welke kerk dat niet is.

Calvijn gaat in paragraaf 12 en 13 van boek IV van de Institutie uitgebreid in op de kenmerken van de kerk en op de vraag wanneer volgens hem gebroken moet worden met een kerk. ‘De zuivere bediening van het Woord en de zuivere manier om de sacramenten te bedienen vormen er een geschikt onderpand en waarborg voor dat wij een gemeenschap waarin die beide voorkomen, veilig als een kerk kunnen aanvaarden. Als wij dit zeggen, betekent dit ook dat een kerk in geen geval afgewezen mag worden, zolang zij daaraan vasthoudt, zelfs indien zij in andere opzichten vol gebreken is. Het is zelfs mogelijk dat er in de leer of in de bediening van de sacramenten een gebrek insluipt, zonder dat dit ons van de gemeenschap met haar mag vervreemden’.
Calvijn was het eens met de Lutherse overtuiging dat voor de echte eenheid van de kerk het voldoende is wanneer het evangelie zuiver wordt gebracht en de sacramenten op de juiste wijze worden bediend.16 Fouten en gebreken kunnen geen reden zijn om te breken met een kerk. Ook fouten in de leer zijn niet automatisch een breekpunt, want niet alle onderdelen van de leer zijn van hetzelfde gewicht. Sommige leringen acht hij noodzakelijk en absoluut, zoals de belijdenis dat er één God is, Christus God is en dat in de Zoon van God en in Gods barmhartigheid onze zaligheid is gelegen.17 De kern is dat Jezus Christus in het vlees is gekomen. Elke geest die Hem belijdt is uit God.18
In de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken heeft de zuivere bediening van het evangelie centraal gestaan. In 1834 zag Hendrik de Cock zich genoodzaakt zich af te scheiden van de kerk omdat hij ernstig beperkt werd in de evangelieverkondiging. Wanneer het hem vergund zou zijn om binnen de vaderlandse kerk in alle vrijheid het Evangelie te verkondigen, zoals dat in de Reformatie opnieuw was verstaan, was hij graag gebleven. Zowel in de Reformatie als in de Afscheiding ging het om de zuivere verkondiging van het Evangelie.

Zichtbare en onzichtbare kerk

Zoals hierboven gezegd, belijden wij met art. 28 NGB dat we ons moeten voegen bij de kerk van Christus, en ons niet van haar mogen afzonderen. Dat wil zeggen: zodra en zolang de kerk werkelijk kerk van Christus is, mogen we de kerk niet breken. Dat geldt niet alleen voor die grote wereldwijde kerk van Christus (die kunnen we niet breken), maar ook voor de concrete kerk waar wij deel van uitmaken. Er is geen tegenstelling tussen de ‘onzichtbare’ kerk, waar je op hoge toon over kunt spreken, en de ‘zichtbare’, waarbij dat wat minder van belang zou zijn. Je zou dus kunnen zeggen: die ene wereldwijde kerk van Hem, die ís al één, in Hem. Tegelijk betekent dat ook een opdracht voor de concrete kerk waar wij deel van uitmaken: als de kerk van Christus één is, dan is ze dat om dat ook zichtbaar te wórden, om daadwerkelijk één te zijn. Het is belangrijk om te zien dat het geen tegenstelling is, de kerk van Christus, en de kerk zoals wij die voor onze ogen zien.19
Daarmee is niet gezegd dat de Christelijke Gereformeerde Kerken samenvallen met de grote wereldwijde kerk van Christus, maar wél dat wat van de kerk beleden wordt, óók moet gelden voor dat concrete kleine kerkverband waarvan wij lid zijn. De kerk belijdt van zichzelf dat zij de ene, heilige, algemene en apostolische kerk is. Daarin is een geweldige rijkdom opgesloten. Tegelijk is de kerk geroepen om die eigenschappen te vertonen: de rijkdom van deze gaven moet zichtbaar worden in de kerk. Die roeping is gericht aan de concrete, met een naam getooide, kerk hier op aarde, en geldt dus ook ons eigen kleine kerkverband. Als Christelijke Gereformeerde Kerken hebben we de hoge roeping om kerk van Christus te zijn; onze naam brengt het met zich mee. Tegelijk hebben we te beseffen dat de kerk van Christus niet met de Christelijke Gereformeerde Kerken uitgeput is.

3. Het karakter van ons kerkverband

Wortels kerkverband

Waar liggen de wortels van ons kerkverband? Op de synode van Emden (1571) werd voor het eerst door de Nederlandse kerken uit de Reformatie een kerkelijke organisatie afgesproken. Op deze synode stelden afgevaardigden een kerkorde op, op basis van de Schrift en de Nederlandse Geloofsbelijdenis. In de kerkorde van Emden 1571 werden de afspraken voor het kerkelijk leven vastgelegd. Omdat er eenheid in belijden was, was er grond en reden om alle andere dingen die nodig waren gezamenlijk te regelen. Als voornaamste motief voor het houden van de synode noemde de oproepingsbrief dat de kerkelijke eenheid strekken zou tot Gods eer en tot de opbouw van Zijn gemeente. De organisatie van de kerken die daar werd afgesproken werd niet door de synode opgelegd, maar door de kerken met algemene instemming goedgevonden. Dr. H. Bouwman zegt: ‘immers, de Gereformeerden waren één in belijdenis, hun eenheid rustte daarop, en al wat op het stuk van de kerkregering uit Gods Woord was afgeleid was reeds aanvaard. (…) Omdat de kerken één zijn in Christus, één in belijdenis, en zij geroepen zijn die eenheid naar buiten zoveel mogelijk in praktijk te brengen, hebben zij samen ook de bevoegdheid ordeningen te maken, die, in onderwerping aan Gods Woord en de gemeenschappelijke belijdenis, als regel gelden voor het leven en welzijn der gezamenlijke kerken’.20
Naar hun overtuiging waren zij daarmee niet alleen in het spoor van de belijdenis, maar ook van de Schrift. Bouwman: ‘De kerk is een heilige vergadering van de ware gelovigen, ze bestaat uit mensen die vergaderd en toegebracht zijn door Christus en door zijn Woord en Geest geregeerd worden. Christus Zelf bouwt de gemeente op het fundament van apostelen en profeten, Hij is het Hoofd, de gemeente is zijn lichaam. En elke plaatselijke kerk is wel een zelfstandige, complete kerk, maar uit kracht van haar geboorte uit Christus niet dé kerk, maar slechts een openbaring van Christus’ kerk op een enkele plaats. Ze is daarom geestelijk gedacht één met de ganse kerk over de gehele aarde. De verplichting om met andere kerken zich te verbinden klemt in het bijzonder als ook op andere plekken de kerk zo tot openbaring is gekomen dat ze als kerk van Christus herkenbaar is en belijdenis doet van hetzelfde geloof’.21
Als dat laatste zo is (dat een andere kerk óók als kerk van Christus herkenbaar is en belijdenis doet van hetzelfde geloof), dan moet je elkaar zoeken, zegt onze belijdenis, en dat deden onze gereformeerde voorvaders. Dat blijkt ook uit de regels die in Emden werden opgesteld. Naast het fundamentele beginsel van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk (art. 1 zegt dat geen kerk of dienaar over de ander heerschappij zal voeren), kent Emden nog een ander beginsel, namelijk dat van de eenheid van de kerken.22
De eenheid van de kerk ligt in de daadwerkelijke erkenning van Christus’ koningschap en de eenheid in de Schriftuurlijke leer. Daarom vormt de gereformeerde belijdenis de onmisbare en onopgeefbare grondslag van het plaatselijke kerkelijke leven èn van het kerkverband. De grond onder het kerkverband is de gemeenschappelijke belijdenis, en op grond van de eenheid die daarin gevonden werd zijn er verdere afspraken gemaakt om kerkelijk samen te leven.23 De grond onder het kerkverband zijn dus niet de kerkelijke afspraken op zich, maar de eenheid in belijden – en zolang díe eenheid in stand is, zal ook de organisatorische eenheid bewaard moeten blijven.

Presbyteriaal-synodale kerkregering

Wie de kerk uit de kerkorde van Emden vergelijkt met de (rooms-katholieke) kerk waaraan de mensen in de 16e eeuw gewend waren, merkt op dat er geen plaats is voor hiërarchie, want Eén is aller Heer, namelijk Jezus Christus. De gereformeerde kerken kregen een presbyteriaal-synodale kerkregering.24 Dit stelsel werd in beginsel ontwikkeld door Calvijn, die teruggreep op de Schriftgegevens. Hij onderkende scherp dat de ambtsdragers aan Christus hun gezag ontlenen. Het stelsel heeft volgens Bouwman vier kenmerken:
1. Het uitgangspunt is dat de gelovigen ter plaatse samen een volwaardige kerk vormen, met eigen ambtsdragers die gezamenlijk den kerkenraad vormen. Deze plaatselijke kerken worden tot een geheel verbonden in classis en synodale landskerken.
2. Erkenning van het drievoudig ambt naar het Woord des Heeren: dienaar des Woords of leerouderling, (regeer)ouderling, diaken; hiermee wordt de tegenstelling tussen de standen, zoals het papale en het territoriale stelsel die kennen, opgeheven en alle klerikalisme onmogelijk gemaakt.
3. Het kerkelijk gezag berust bij de plaatselijke kerken zelf, die het uitoefenen door de ambtsdragers, plaatselijk in de kerkenraad, gezamenlijk in de meerdere vergaderingen (classis, particuliere, generale synode), die bestaan uit afgevaardigden uit de kerken. De besturende macht berust dus niet monarchaal bij de paus (papale stelsel), noch bij de bisschoppen, noch bij de gemeenteleden, maar bij de ambtsdragers, die bekleed zijn met gelijke macht; alle hiërarchie is hiermee uitgesloten.
4. Zelfstandigheid van de kerk naast de staat; de kerk heeft haar eigen ambtsdragers. De gereformeerden willen niets weten van een suprematie van de overheid over de kerk, evenzeer echter wijzen zij de suprematie van de kerk over de staat af, zoals Rome die voor zich opeist.25

Anders gezegd: in het presbyteriaal-synodaal stelsel ligt het primaat bij de plaatselijke kerken. Elke plaatselijke kerk is een zelfstandige openbaring van het lichaam van Christus. Zij heeft van Hem de kerkelijke macht ontvangen. De ambtsdragers (predikanten, ouderlingen en diakenen) hebben goddelijk gezag, classis- en synodeleden hebben slechts afgeleid gezag. Daardoor hebben deze vergaderingen een beperkte, dienende macht. De ene kerk mag niet over de andere kerk heersen, hetzelfde geldt voor de meerdere vergaderingen. De kerken verbinden zich wel aan de besluiten van de meerdere vergaderingen, ook al zou men het niet met de genomen beslissing eens zijn. Dit ligt enkel anders wanneer een kerkenraad bij zichzelf vaststelt, dat het genomen besluit in strijd is met Gods Woord, de belijdenis of de kerkorde. De meerdere vergadering beschikt niet over de bevoegdheid — het cassatierecht — om de beslissingen van een mindere vergadering te vernietigen, maar dient die met redenen omkleed terug te verwijzen naar de mindere vergadering die het onjuiste besluit nam.26

4. De aard en de bevoegdheden van de meerdere vergaderingen

Verhouding plaatselijke kerk en meerdere vergadering

In het gereformeerd kerkrecht is een dus een belangrijk uitgangspunt dat meerdere vergaderingen een afgeleide en beperkte macht hebben. Dat blijkt onder andere bij Voetius, die steeds benadrukt dat meerdere vergaderingen slechts een afgeleide en beperkte macht hebben.27 De afgevaardigden komen niet samen krachtens hun ambt, maar ten gevolge van afvaardiging (meerdere vergaderingen zijn samenkomsten van kerken en niet van ambtsdragers). Kerkenraadsleden bekleden een ambt, ze spreken en beslissen op grond van het gezag dat ze van God hebben gekregen. Maar afgevaardigden naar een meerdere vergadering handelen niet krachtens hun eigen ambt, of uit kracht van onmiddellijk recht, maar door het positieve recht, volgens de constitutie en afvaardiging van de plaatselijke kerken. De meerdere kerkelijke vergaderingen zijn dus niet kerk in wezenlijk gelijken zin als plaatselijke kerken. En zij vormen niet een kerkelijk geheel, waarvan de plaatselijke of particuliere kerken afdelingen zouden zijn. Ook is het niet zo dat de kerkelijke macht door Christus eigenlijk aan haar geschonken is en van haar afdaalt op de plaatselijke kerken en kerkenraden.28
Prof. dr. W. van ’t Spijker formuleert het als volgt: ‘De plaatselijke kerk is uitgangspunt, niet omdat daar de kerk zou beginnen en eindigen, maar omdat het gereformeerde stelsel geen uitdrukking wil zijn van een abstracte kerk-idee, die met de werkelijkheid geen relatie heeft. De gelovige krijgt een plaats binnen de geschiedenis. Hij vindt het heil waar hij woont door de bediening van het Woord. (…) Toch zou het verkeerd zijn om deze lokale kerkopvatting in tegenstelling te zien met de betekenis van het kerkverband. (…) Plaatselijke kerk en kerkverband bevinden zich niet in een concurrentiepositie ten opzichte van elkaar, zij vullen elkaar zelfs niet aan. Zij behoren zo vanzelfsprekend bijeen, dat de Schrift het woord kerk (ecclesia) zowel voor de plaatselijke kerk als voor de bovenlokale gemeenschap der kerken kan gebruiken (Gal. 1, 13. 22; 1 Kor. 15, 9; Hand. 9, 31)’.29
Meerdere vergaderingen beperken zich tot de behandeling van de zaken die de kerken gezamenlijk betreft, tot revisie- en appelzaken en tot de behandeling van hetgeen de mindere vergadering niet heeft kunnen afdoen. De meerdere vergaderingen hebben dus wel enkele heel belangrijke taken gekregen. Zo dienen zij een besluit te nemen op appels tegen besluiten van mindere vergadering. En hebben zij als taak om de kerken te bewaren bij Gods Woord en de gereformeerde belijdenis. Namens de classis zullen de visitatoren erop toezien dat de ambtsdragers hun ambt getrouw waarnemen, volharden in de leer, de kerkorde navolgen e.d. (artikel 44 KO). Dit opzicht heeft als doel de vrede, opbouw en het welzijn van de kerken te bevorderen.30

Bindende besluiten

Plaatselijke kerken en meerdere vergaderingen horen bij elkaar en vormen een geheel. Dat het primaat bij de plaatselijke kerken ligt, betekent niet dat de plaatselijke kerken niet gebonden zouden zijn aan onderlinge afspraken. Middels hun vertegenwoordigers bij de meerdere vergaderingen hebben de kerken indirect zelf die afspraken gemaakt. Daarbij is afgesproken dat de uitspraken van meerdere vergaderingen bindend zullen zijn. Voor het feit dat gekozen is om de afspraken bindend te laten zijn, wordt soms verwezen naar wat in de eerste gemeenten gebeurde op het Apostelconvent (Handelingen 15). Daar werd inderdaad wat uitgesproken werd van harte door iedereen aanvaard, en als een duidelijke weg, gewezen door de Heilige Geest gezien, die dankbaar werd gevolgd. En van daaruit zijn zeker lijnen te trekken naar de keuze om afspraken van meerdere vergaderingen bindend te laten zijn. Tegelijk is het niet voor ieder even duidelijk dat je het gezag van de meerdere vergaderingen zo één op één kunt gronden op Handelingen 15.31
In ieder geval is de bindende kracht van kerkelijke besluiten vastgelegd in artikel 31 van onze kerkorde. Behoudens het recht van appel of revisie, dienen de kerkelijke besluiten dus onverkort te worden nageleefd door de plaatselijke kerken. De besluiten van de meerdere vergadering hebben, voor zover binnen de begrenzing van de kerkorde genomen, een bindend karakter. De kerken beloven zich daarnaar te schikken, ook al zou men het niet met de beslissing eens zijn. Dat ligt alleen anders als een kerkenraad van oordeel is dat het genomen besluit in strijd is met Gods Woord, de belijdenis of de kerkorde. Dan conformeert deze kerkenraad zich niet en dient hij revisie c.q. appel in te stellen en aan te tonen dat het besluit onjuist was.

Artikel 31 KO

Over deze laatste mogelijkheid wordt in art. 31 K.O. gesproken als er staat: ‘Wat bij meerderheid van stemmen uitgesproken is, zal voor vast en bondig worden gehouden, tenzij bewezen wordt, dat dit in strijd is met het Woord van God, de belijdenis of de kerkorde.’ De redactie van dit artikel heeft in het verleden wel vragen opgeroepen, en kan dat ook nu doen. Want: wanneer kan bewezen worden geacht dat een besluit in strijd is met Gods Woord? En door wie moet dat worden bewezen? Bepaalt de synode of ‘het bewijs’ geleverd is of de overtuiging van de kerkenraad die het besluit aanvecht? Verder staat er niet ‘totdat’ bewezen wordt, maar ‘tenzij’ bewezen wordt. Wat betekent dit precies?

Het moge duidelijk zijn dat er een ingewikkelde situatie kan ontstaan wanneer een plaatselijke kerkenraad zich blijft verzetten tegen een besluit van een meerdere vergadering, omdat de kerkenraad ervan overtuigd blijft dat het genomen besluit niet conform Gods wil en Woord is. Dient de kerkenraad zich dan toch te voegen naar het synodebesluit of mag de eigen interpretatie van Gods Woord zwaarder wegen? Kan er ruimte worden gegeven aan een ‘gewetensbezwaarde’ kerkenraad? Deze vraag is actueel, bijvoorbeeld rondom het thema homoseksualiteit. De generale synode heeft in 2013 uitgesproken dat homoseksuele relaties zondig zijn. Nu zijn er kerkenraden die zich op zich goed kunnen vinden in de Schriftuitleg van de synode, maar die worstelen met de vraag op welke manier de kerkelijke tucht daarin toegepast moet worden. Gezien de appelschriften die zijn ingediend tegen het GS-besluit van 2013 zijn er echter ook kerkenraden die ten aanzien van homoseksuele relaties een afwijkend Schriftverstaan hebben. Het laat zich goed verstaan dat deze ‘gelaagdheid’ bij het wegen van het niet (geheel kunnen) nakomen van de generaal-synodale besluitvorming meegewogen dient te worden.
In de geschiedenis van het gereformeerde kerkrecht kom je meermalen de lijn tegen dat het eigen verstaan van de Schrift voor kerkenraden dient te prevaleren boven de binding aan synodale uitspraken. Zo meende professor Rutgers dat een kerkenraad gebonden is aan besluiten van meerdere vergaderingen, tenzij men voor zichzelf bewezen acht dat Gods Woord de naleving van hetgeen goed gevonden is, verbiedt. Het was immers op diezelfde grond dat de gereformeerden hun verzet tegen de Roomse hiërarchie zonder een besluit van een concilie af te wachten en ook tegenover Roomse conciliën volkomen gerechtvaardigd achtten.32 Voetius stelde dat de kerken ‘alles moeten aannemen en uitvoeren wat de Synode bepaalt omtrent de leer en andere kerkelijke zaken, voor zover de naleving of het dulden daarvan niet strijdt met Gods Woord. (…) Strijden zij daarmee dan moet men verbetering óf niet-toepassing verzoeken. Is die niet verkrijgbaar dan moet men dat kwaad dulden, om de goede orde niet te verbreken, d.w.z. enkel dulden op zulk ene wijze dat men niet genoodzaakt wordt iets te doen of te beloven, dat men met zijn geweten „per conscientiam Dei”, niet doen of beloven kan. Doch als het gewicht der zaak het meebrengt, moet men openlijk tegen de opgedrongen ordening protesteren.’ Dat protesteren sluit volgens Rutgers ‘natuurlijk’ ook in ‘het protesteren door de daad, dat is door openlijk gehoorzaamheid te weigeren’.33

Jansen gaat uitgebreid in op de cruciale zinsnede uit artikel 31 KO ‘tenzij bewezen wordt’. Wordt dat bepaald door de overtuiging van degene die iets meent te hebben bewezen of wordt dat bepaald door het kerkverband?
‘Maar voor wie? Wil dat zeggen dat de appellant het moet bewijzen voor de meerdere vergadering, en als hij haar overtuigen kan met zijn bewijzen ervan ontslagen is? Maar dit spreekt van zelf. Een besluit dat strijdig is met Gods Woord is voor niemand geldig. Of wil het zeggen dat wij aan de besluit der meerdere vergadering gebonden zijn, tenzij iemand een of ander besluit voor zich zelf bewezen acht in strijd te zijn met Gods Woord? Dit laatste is het juiste en wel op de volgende gronden: 1. omdat op dezelfde grond het reformatorisch verzet tegen Rome rustte, namelijk dat de reformatoren bij zichzelf overtuigd waren dat de Roomse leringen met Gods Woord in strijd waren; 2. omdat wij geen kerkelijke besluiten gelijk mogen stellen met Gods Woord;
3. omdat ook Voetius zegt dat een plaatselijke kerk die gedwongen zou worden een besluit, dat bevonden wordt met Gods Woord te strijden, uit te voeren, desnoods uit het kerkverband moet treden, liever dan tegen Gods Woord en het geweten te handelen.’34

Kortom: wanneer een kerkenraad ervan overtuigd is dat de Schrift een andere weg wijst dan het kerkelijke besluit wijst dan is de eigen lezing van de Schrift doorslaggevend. Een kerkenraad kan niet worden gedwongen besluiten uit te voeren tegen het eigen geweten in. In de lijn van Voetius en Jansen kan dit wel als uiterste consequentie hebben dat men het kerkverband verlaat.
Greijdanus sluit zich bij de opvatting aan dat de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten met zich meebrengt dat een kerkenraad ten slotte nog een eigen afweging heeft te maken.35 Volgens Veenhof was hetgeen Rutgers hierover betoogt zowel in vroegere als latere tijden de (algemene) gereformeerde opvatting.36 In onze tijd betoogt dr. Loonstra (CGK Gouda) met een beroep op artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat Gods Woord voor een kerkenraad zwaarder dient te wegen dan een op zichzelf bindende uitspraak van een kerkelijke vergadering.37
Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken lijkt de overwegende opvatting te zijn dat kerkelijke besluiten hoe dan ook bindend zijn en dat de GS uiteindelijk (na revisie en appel) het laatste woord heeft als het aankomt op de interpretatie van de Schrift en niet het eigen oordeel van de kerkenraad.38 De vraag is of deze interpretatie van art. 31 KO recht doet aan hetgeen de opstellers van dit artikel destijds hebben beoogd én hoe deze interpretatie zich verhoudt tot de presbyteriaal-synodale kerkregering (waarbij het primaat bij de plaatselijke ligt, zie paragraaf 3). In ieder geval is het vooralsnog de staande praktijk dat plaatselijke kerken niet worden gedwongen om besluiten uit te voeren die in hun ogen tegen de Schriften en hun geweten ingaan.
Om ingewikkelde situaties, verdeeldheid, irritaties en onrust te voorkomen, zouden plaatselijke kerken en meerdere vergaderingen er alles aan moeten doen om het onderling zoveel mogelijk eens te worden over de interpretatie en uitwerking van aangelegen tekstgedeelten. Een verwijzing naar het begin van art. 31 K.O. is daarbij op zijn plaats, waar staat dat de besluiten van de vergaderingen moeten worden genomen ‘zo mogelijk met eenparige stemmen’.

Resume

Vraagstukken t.a.v. interpretatie van de Schrift hebben de plaatselijke kerken ‘uitbesteed’ aan de GS. Veel weten meer dan één (vgl. Spr. 15:22). De kerken hebben zich in beginsel gebonden aan de GSbesluiten, maar behouden een eigen toets. Het primaat ligt immers bij de plaatselijke kerken. Wat nu als revisie/appel wordt afgewezen en de kerkenraad bewezen acht dat het GS-besluit in strijd is met Gods Woord? Gaat dan het GS-besluit voor of de eigen interpretatie van Gods Woord? Het laatste stelden Voetius, Rutgers, Jansen en anderen, want anders is -strikt genomen- de Reformatie niet te legitimeren en hadden de decreten uit Rome opgevolgd moeten worden. Een kerkenraad die voor zichzelf bewezen acht dat een GS-besluit in strijd is met Gods Woord zal zich opnieuw dienen te verhouden tot het kerkverband. Gaat het om kernzaken waarbij het fundament in het geding is en het kerkverband als het ware een valse kerk wordt, dan zal de gemeente uit het kerkverband moeten stappen. Andersom: gaat een kerkenraad een weg waarbij het fundament in het geding is en de plaatselijke kerk als het ware een valse kerk wordt, dan moet het kerkverband ingrijpen (zie hoofdstuk 5).

Concreet zal het eerste gedeelte van art. 31 KO als volgt dienen te worden toegepast:
1. GS-besluiten zijn vast en bindend, dat is het uitgangspunt en de hoofdregel;
2. Meent men dat een besluit tegen Schrift, belijdenis en/of kerkorde ingaat, dan gaat men de weg van revisie en appel van art. 31 KO;
3. Het besluit op revisie/appel is weer bindend;
4. Wanneer het appelbesluit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is door gewetensnood van de appellant en/of het belang van navolging van het appelbesluit niet in verhouding staat tot de schadelijke gevolgen van de uitvoering ervan, zal de appellant dit dienen te melden bij de classis;
5a. De classis zal na gedegen onderzoek het besluit van de appellant dienen te dragen wanneer aan het gestelde onder 4 wordt voldaan en het fundament van de kerk niet in geding is;
5b. Indien het fundament van de kerk wel in geding is, zal de classis dienen in te grijpen (hoofdstuk 5).

Congregationalisme en hiërarchisch denken

In de 20e eeuw heeft zich in de (toenmalige) Geformeerde Kerken in Nederland een kerkrechtelijke beweging voorgedaan die gaandeweg leidde tot meer grip van de meerdere vergaderingen op de kerkenraden. De GS kreeg hoe langer hoe meer zeggenschap over de plaatselijke kerken. Mogelijk dat bepaalde maatschappelijke en politieke ontwikkelingen hieraan hebben bijgedragen.
Momenteel lijkt het erop dat het presbyteriaal-synodaal kerkrechtelijk stelsel van twee kanten onder druk staat. Aan de ene kant zijn er gemeenten die minder binding lijken te voelen met het kerkverband en op aangelegen punten afwijken van kerkordelijke besluiten. Dat doet denken aan een congregationalistische vorm van kerkregering, waarin elke gemeente in feite onafhankelijk is. Aan de andere kant zien we in onze kerken een beweging om vanuit het centrum de gelederen te sluiten. Er is dan een roep om de kerkorde stringenter te handhaven en desnoods aanvullende regels op te stellen, zodat er meer uniformiteit komt in de kerken en afwijkende gemeenten metterdaad tot de orde kunnen worden geroepen.
Beide benaderingen, zowel congregationalistisch als centralistisch denken, staan op gespannen voet met ons kerkmodel waarin het primaat bij de plaatselijke kerken ligt en kerken zich binden aan synodale besluiten. Beide bewegingen versterken elkaar bovendien. Waar kerken hoe langer hoe meer congregationalistisch gaan denken en handelen, wordt van de andere kant verwacht dat de meerdere vergaderingen maatregelen nemen. En waar de kerkorde verstikkend gaat werken, zullen gemeenten verlangen naar meer vrijheid en geneigd zijn om afwijkende besluiten te nemen.

Hoofdzaak en bijzaken

In de tijd dat de gereformeerde kerken zich aan elkaar verbonden, ontstond die verbintenis (ook met alle principiële en praktische kerkelijke afspraken) omdat men elkaar vond in de eenheid van het ware geloof. Binding aan die hoofdzaak was nodig39. En daarvoor was onderscheiding tussen hoofdzaak en bijzaken nodig. Dat gold toen, en dat geldt nu.
Als kerken dienen we er op te letten dat we in de weging van onze onderlinge verschillen onderscheid maken tussen zaken die het hart van het gereformeerd belijden raken en zaken die van wat ander gewicht zijn. De Christelijke Gereformeerde Kerken hebben van oudsher een kerkverband waarin ruimte is voor verscheidenheid en diversiteit. In de kernzaken (die rechtstreeks uit de Schrift volgen) stemmen we overeen, over andere zaken kan en mag verschillend worden gedacht.
Calvijn noemt de hoofdpunten van de leer (zie hiervoor, pagina 4 en 5). Die hoofdpunten concentreren zich rondom de persoon en het werk van Jezus Christus. Zijn heilsdaden vormen de basis van ons geloof en onze belijdenis, zoals samengevat in de Apostolische geloofsbelijdenis en de geloofsbelijdenis van Nicea. De Drie Formulieren van Enigheid vormen een nadere uitwerking daarvan. Met de handtekening onder het ondertekeningsformulier van predikanten, ouderlingen en diakenen verklaren de gekozen ambtsdragers dat ze de stukken van deze belijdenis (de leer) onderschrijven.40
In de geschiedenis van de CGK maken we van oudsher onderscheid tussen een ernstig classicaal gesprek bij afwijking van de kerkorde bij zaken die Schrift en belijdenis niet raken enerzijds en vermaan bij zaken die Schrift en belijdenis wél raken al heel lang. ‘Men zie de gang van zaken bij het kerkelijk lied, het aantal diensten per zondag, de beperkte diensttijd van ambtsdragers, het stelselmatig niet of te weinig afdragen voor sommige kerkelijke kassen, het negeren van de grenzen van een preekbevoegdheid en zo nog wel meer’41. En zelfs bij zaken die Schrift en belijdenis wél raken, is de CGK soms terughoudend met in vermaan. ‘Zo is bekend dat bij opvattingen van ambtsdragers over het zogenaamde duizendjarig rijk lang niet meer altijd de afspraak bij art. 51 lid 1 en 2 nagevolgd wordt; ook houden sommige gemeenten zich niet aan de vastgestelde regel in art. 61 lid 3 (het afleggen van ‘belijdenis der waarheid’).’42
Immers, er zijn uitspraken van de synode die weliswaar bindend zijn maar waarvan niet onomwonden is uitgesproken dat hierbij de gereformeerde belijdenis direct in geding is. Dat is bijvoorbeeld duidelijk te maken door te kijken naar de besluitvorming rond vrouw en ambt, 1998. De kerken, in generale synode bijeen, hebben gekozen voor de uitleg van de Schriften die geen ruimte laat voor vrouwelijke ambtsdragers. Tegelijk hebben zij een andere uitleg niet als ongereformeerd of onschriftuurlijk gekwalificeerd.

5. De rol van de meerdere vergaderingen bij kerkelijke tucht

Rol van de classis

In het Nieuwe Testament wordt op tal van plaatsen gewaarschuwd tegen zondige daden in de gemeente en tegen dwaalleer. Paulus roept de gemeente van Thessaloniki op om afstand te nemen van iedere broeder die ongeregeld wandelt (2 Thess. 3:6). In Titus 3:10 roept Paulus op om resoluut op te treden tegen dwaalleer: ‘Verwerp een ketters mens na een eerste en tweede terechtwijzing’. Het hier gebruikte Griekse woord kan echter beter worden vertaald met scheurmakend in plaats van met ketters.43 In ieder geval mag er in de gemeente geen ruimte zijn voor dwaalleringen (zie bijv. Hebr. 13:9, 2 Joh. 1:9, Openb. 2:14). Het is allereerst de taak van de kerkenraad, meer in het bijzondere de ouderlingen, om te strijden tegen zonde en dwaalleer in de gemeente. We hebben eerder besproken dat ook de classis hierin een taak heeft, door middel van de visitatoren. Zij dienen toe te zien op de zuiverheid van de leer (art. 44 KO). De classiskerken staan elkaar ook in raad en daad bij inzake de goede voortgang van het gemeentelijke leven. Kerkenraden kunnen de classiskerken verzoeken om oordeel en hulp, en hebben een rol rondom toepassing van de kerkelijke tuchtprocedure.44

Leeruitspraken door de GS

De GS heeft een belangrijke taak bij de uitleg van de Schriften. Via instructies, appels en rapporten worden vragen met betrekking tot de leer en de interpretatie van de Schrift aan de GS voorgelegd. Bij de gezamenlijke kerken is meer kennis en wijsheid in huis dan bij een enkele kerkenraad.45 Het is daarbij van belang dat zowel de kerken als de GS het gewicht van een vraagstuk op waarde kunnen schatten. Niet elke vraag – hoe belangrijk die misschien ook wordt bevonden – raakt immers direct aan Schrift en belijdenis, waarop de onderlinge eenheid is gestoeld.
De zogenaamde leeruitspraken van de generale synode dienen zonder meer nauwgezet te worden nagevolgd door de kerken. Wanneer er sprake is van een leeruitspraak dan is dat duidelijk te herkennen aan de redactie van de uitspraak én aan de vindplaats. Bij leeruitspraken gebruikt de GS de woorden ‘niet gereformeerd’ en/of ‘geen Schriftuurlijke grond’. Het gaat dan per definitie om een voor de GS fundamentele zaak, waarbij de belijdenis van de kerk in het geding is. De leeruitspraken worden toegevoegd aan onze kerkorde, bij art. 52 juncto 53.
De Christelijke Gereformeerde Kerken zijn zeer terughoudend met het doen van leeruitspraken.46 De GS heeft alleen leeruitspraken gedaan rondom de thema’s ‘duizendjarig vrederijk’ en ‘veronderstelde wedergeboorte’. Het geschil over Kuypers visie omtrent de veronderstelde wedergeboorte vormde de belangrijkste reden voor enkele CGK-gemeenten om eind negentiende eeuw niet mee te gaan met de Vereniging, waaruit de Gereformeerde kerken in Nederland zouden ontstaan. Het betrof hier voor onze kerken dus een fundamenteel leergeschil dat daadwerkelijk een breekpunt vormde.47
Het niet nakomen van de leeruitspraken zou eventueel kunnen leiden tot tuchtrechtelijke stappen richting ambtsdragers. Door de kerkelijke besluiten, genoemd in art. 52 lid 2 en 3 KO, zijn deze besluiten als leeruitspraken immers kerkrechtelijk gezien op het niveau van de belijdenis gezet.<sup><a href=”#voetnoot48″>48</a></sup> Ambtsdragers hebben door middel van het ondertekeningsformulier – op straffe van mogelijke schorsing<sup><a href=”#voetnoot49″>49</a></sup> – beloofd geen leringen uit te dragen die strijdig zijn met Schrift en belijdenis.

Andere GS-uitspraken

Ook andere GS-besluiten aangaande de uitleg van de Schrift zijn bindend voor de kerken, maar staan kerkrechtelijk op een ander (lager) niveau dan de officiële leeruitspraken en worden daarom ook niet altijd in de uitgave van de kerkorde opgenomen.
Het bevestigen van vrouwelijke ambtsdragers is zonder twijfel in strijd met de GS-besluiten. Het bevestigen van vrouwelijke ambtsdragers of stappen in die richting zijn dus kerkordelijk niet legitiem. De GS was in 1998 van oordeel dat de visie van de meerderheid van de deputaten – in tegenstelling tot die van de minderheid – een degelijke en overtuigende onderbouwing is van het standpunt dat in de CGK steeds als het Schriftuurlijke heeft gegolden.50 De synode is echter niet zo ver gegaan dat zij het standpunt van de minderheid van de studiecommissie, die wél ruimte zag voor vrouwen in het ambt, als onschriftuurlijk of ongereformeerd heeft willen kwalificeren. De GS heeft over dit thema geen leeruitspraak willen doen. Zodoende kunnen we stellen dat enerzijds het bevestigen van vrouwelijke ambtsdragers kerkelijk ongeoorloofd is binnen de CGK, maar dat er anderzijds van het minderheidsstandpunt niet gezegd is dat het ingaat tegen Schrift en belijdenis.

In paragraaf 1 merkten we reeds op dat het vaker voorkomt dat kerken zich niet in alle opzichten aan de kerkorde houden. Telkens zal de vraag gesteld kunnen worden of het om fundamentele zaken gaat die de belijdenis van de kerken raken of niet. Als het gaat om afwijkingen in bepaalde afgesproken liturgische gebruiken, zullen weinigen menen dat het fundament van de kerk in gevaar is. Maar dat kan anders liggen als kerkordelijke afspraken worden geschonden rondom het gebruik van de sacramenten en het afleggen van openbare geloofsbelijdenis. We noemden eerder de frequentie van avondmaalviering en het afleggen van belijdenis van de waarheid, waaromtrent kerkordelijke besluiten ook niet altijd getrouw worden nagekomen. Wordt hierbij de belijdenis van onze kerk geraakt? Hoe verhouden afwijkende besluiten omtrent avondmaal en belijdenis doen zich tot afwijkende besluiten rondom vrouw en ambt?
Van belang is of in voorliggende zaken het fundament van de kerk in het geding is. Wordt bij het niet nakomen van zulke afspraken het wezen van de kerk geraakt en, zo ja, in die mate dat er moet worden ingegrepen? Is het fundament van de kerk in het geding als vrouwelijke ambtsdragers worden bevestigd of als kerken een afwijkende visie en praktijk hebben aangaande monogame homoseksuele relaties? Is het fundament van de kerk in het geding als het Heilig Avondmaal zelden wordt gevierd of als de zondagse middagdienst wordt afgeschaft? Is het fundament van de kerk in geding als kerken in deze zaken een eigen weg gaan en gezamenlijk gemaakte afspraken niet nagekomen worden?
Calvijn en andere gereformeerden meenden dat we uiterst voorzichtig moeten zijn en kerken niet te snel moeten afschrijven. Binnen onze kerken is ook altijd behoedzaam omgegaan om met kerken die zich niet houden aan kerkelijke besluiten. De GS heeft ervoor gewaakt om directieve besluiten te nemen jegens die kerkenraden. Zolang het hart van het evangelie, het fundament van de kerk, niet in geding is, is grote voorzichtigheid geboden. Het fundament van de kerk staat op het spel als het evangelie niet meer zuiver wordt verkondigd of als de sacramenten niet meer worden bediend. Kortom, als er sprake is van een ‘valse kerk’ (art. 29 NGB).

Tucht over ambtsdragers

Artikel 79 KO geeft een omschrijving van het algemene karakter van zonden die de tucht over de ambtsdragers noodzakelijk maken. Er wordt gesproken over openbare grove zonden. Bij tucht over een ambtsdrager dient de kerkenraad van de buurgemeente ingeschakeld te worden, bij tucht over een predikant tevens de classis en deputaten naar art. 49 KO.
Welke zonden tuchtwaardig zijn, wordt door de kerkorde niet tot in detail aangegeven. De kerkorde is geen Wetboek van Strafwet, waarin artikelsgewijze alles wordt opgenoemd wat strafbaar is. Wel geeft artikel 80 KO als nadere uitwerking van artikel 79 een opsomming van de voornaamste tuchtwaardige zonden bij ambtsdragers. Genoemd worden het aanhangen en verbreiden van onschriftuurlijke leringen, openbare scheurmaking, openlijke godslastering, trouweloze verlating van de dienst of het indringen in het dienstwerk van een ander, meineed, echtbreuk, overspel, seksueel misbruik, diefstal, het plegen van lichamelijk en psychisch geweld, drankmisbruik, oneerlijk winstbejag.51

Tucht over kerkenraden

Wanneer er binnen een gemeente openbare zondige praktijken worden gebezigd of systematisch dwaalleer wordt verkondigd, dan heeft de classis een taak om de plaatselijke kerkenraad hierop te wijzen en desnoods over te gaan tot vermaan (via de visitatoren, art. 44 KO). Maar wat als een kerkenraad hieraan totaal geen gehoor geeft en binnen de gemeente zondige praktijken en leringen worden getolereerd of zelfs worden gefaciliteerd? Kan dan worden overgaan tot schorsing en afzetting van ambtsdragers?
Uitgangspunt is dat de meerdere vergaderingen plaatselijke kerkenraden wel kunnen oproepen om tucht toe te passen, maar niet kunnen dwingen tot tucht, en ook de wijze waarop tucht geoefend wordt niet kunnen opleggen. Het is aan de eigen pastorale overwegingen van de ouderlingen om in concrete gevallen al dan niet over te gaan tot tuchtmaatregelen. Een kerkenraad kan hierop natuurlijk worden bevraagd door de visitatoren, maar daarmee houdt het wel op. De meerdere vergaderingen hebben geen bevoegdheid om de tucht toe te passen. Uitzondering op deze regel is de bevoegdheid van de classis om in samenspraak met de betreffende kerkenraden tuchtmaatregelen te nemen jegens een predikant (art. 79 KO).
Nu dringt de vraag zich wel op, hoe tucht kan worden toegepast wanneer niet alleen één ambtsdrager (al of niet predikant) tuchtwaardig is, maar een gehele kerkenraad. Het laat zich denken dat de ‘normale route’ zoals in art. 79-80 KO beschreven dan niet tot resultaat kan leiden: die kerkenraad zal namelijk nooit een naburige kerkenraad roepen om zich collectief te laten schorsen. In de Gereformeerde Kerken in Nederland is in de 20e eeuw het tuchtrecht niet alleen toegekend aan de classis, maar zelfs aan de generale synode. We duiden dat in de literatuur aan als ‘nieuw kerkrecht’. De CGK heeft deze lijn nooit tot de hunne verklaard. Tucht over ambtsdragers blijft een individuele zaak van kerkenraad en classis; voor ouderlingen en diakenen volstaan de kerkenraden in elkaars geografische nabijheid, voor predikanten is de finale beslissing aan de classis.
Voor de exceptionele situatie dat in een gemeente (nagenoeg) àlle ambtsdragers tuchtwaardig zijn, hebben de CGK art. 30 KO in omgekeerde zin in stelling gebracht.52 Er móet immers een kerkordelijke mogelijkheid zijn om een dergelijke situatie kerkelijk het hoofd te bieden, bijvoorbeeld wanneer de kerkenraad zich collectief schuldig maakt aan corruptie, excessief wanbeleid, machtsmisbruik of het verbreiden van onschriftuurlijke leringen. Bij grove openbare zonde op grond waarvan een individuele ambtsdrager zou kunnen worden afgezet naar artikel 79 en 80 KO kan een gehele kerkenraad (of wellicht beter: kunnen alle kerkenraadsleden) worden afgezet door de classis, wanneer de kerkenraadsleden zich collectief aan die zonde schuldig maken. Men zou het de ‘uiterste rand’ van de toepassing van art. 30 KO kunnen noemen.53 Ds. Quant schreef over dit gebruik van art. 30 in ‘omgekeerde zin’: ‘Vanouds is in de K.O. de mogelijkheid benoemd van het optreden tegen een ambtsdrager – maar dat kan dus ook een complete kerkenraad zijn – wegens ‘onschriftuurlijke leringen’ (art. 80). Dan is de aangewezen weg die van schorsing en afzetting, wanneer de tijd van vermaan niet heeft opgeleverd waartoe het dient: bekering. De kerkelijke route hierbij is – hoe verdrietig ook – niet ingewikkeld. Zij gebeurt met inschakeling van een genabuurde kerkenraad en – als het om een predikant gaat – van een classis. Bij het schorsen van een complete kerkenraad kan dit uiteraard niet op deze manier: de eigen kerkenraad zal geen verzoek indienen om zichzelf te schorsen. Dan treedt art. 30 K.O. in omgekeerde zin in werking en doet de meerdere vergadering wat de mindere niet kan doen: zij gaat over tot schorsing en afzetting, en roept daarbij de adviserende hulp in van deputaten naar art. 49 K.O. Dit instrument is in het verleden verschillende keren in de kerken gebruikt, het laatst bij de moeiten in Zeewolde, 2002-2004.’54 
Het spreekt voor zich dat een dergelijk optreden zeer ingrijpend is en slechts uiterst behoedzaam kan worden toegepast en als ultimum remedium moet worden gezien. Basis en uitgangspunt voor het gereformeerde kerkelijke leven is de erkenning van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken. De meerdere vergaderingen hebben slechts een beperkt gezag en een beperkte macht, begrensd door de bepalingen van de kerkorde (zie paragraaf 3). Het ingrijpen in plaatselijke kerken door kerkenraden af te zetten, is alleen denkbaar in exceptionele gevallen van wanbeleid en grove openbare zonden. Dergelijk ingrijpen is noodzakelijk wanneer er een legitieme roep daartoe komt vanuit de gemeente. En zelfs als die roep niet komt, zou een classis in het uiterste geval moeten ingrijpen en de kerkenraad dienen af te zetten, om de kerk zodoende te zuiveren en de gemeente te verlossen van een verdorven kerkenraad. De kerkvisitatie van de classis is immers een kerkrechtelijk geijkt middel om de gemeente bij een dergelijke situatie geestelijk te bewaren.55

Onschriftuurlijke leringen

Tot tuchtrechtelijke maatregelen op grond van het verbreiden van onschriftuurlijke of bedrieglijke leringen kan alleen worden overgegaan als de fundamenten van de kerk in het geding zijn, of beter gezegd: hét fundament. Op de belijdenis van Petrus ‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God’ is de kerk gebouwd, zegt Jezus (Matth. 16: 16,18). Wanneer aan het fundament wordt getornd en het evangelie van Jezus Christus geweld wordt aangedaan, is de kerk – het lichaam van Christus – in gevaar en kan de classis niet lijdzaam blijven toekijken. Als kerkvisitatoren menen dat gemeenteleden stenen voor brood krijgen, dient er ingegrepen te worden. De classis moet uit alle macht blijven proberen de gemeente geestelijk te redden – in eerste instantie met de kerkenraad, maar als dat geen begaanbare weg blijkt te zijn, rechtstreeks met de gemeente.

Meineed

In de huidige constellatie wordt ook weleens gewezen op de mogelijkheid een kerkenraad af te zetten wegens meineed, omdat er kerkenraden zijn die afspraken breken en zich zodoende schuldig maken aan woordbreuk. Kunnen we dan spreken van meineed? Meineed is een zwaar misdrijf dat strafbaar is gesteld in het Wetboek van Strafrecht. In artikel 207 staat het volgende: ‘Hij die in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk een valse verklaring onder ede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.’ Meineed ondermijnt de waarheidsvinding in een rechtsstaat, hetgeen direct en in ernstige mate het algemeen belang raakt. Om die reden is het uitgangspunt dat onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt geëist.
Vinden we dat het niet nakomen van een kerkelijke afspraak hiermee gelijkgesteld kan worden?56 Belangrijk is erover door te spreken hoe hiertegen aangekeken moet worden, ook in het licht van het negende gebod. In ieder geval zal daarbij de vraag aan de orde moeten komen waaróm een kerkenraad in geweten meent een kerkelijke afspraak niet te kunnen houden.

Recente ontwikkelingen

In paragraaf 4 merkten we op dat er zich in loop van de 20e eeuw een kerkrechtelijke beweging heeft voorgedaan die gaandeweg leidde tot meer grip van de meerdere vergaderingen op de kerkenraden. Met name het tuchtrecht is daar object van geweest. In de 21e eeuw zien we een teruggaan naar het versmallen van de bevoegdheden van de meerdere vergadering als het gaat om het oefenen van tucht. We zien dat in het bijzonder terug bij de maatregelen over ambtsdragers, en daarbij weer met name bij de predikanten. Het is interessant om waar te nemen dat de nieuwe GKv-kerkorde (2014) die bevoegdheden van de classis heeft teruggedrukt naar de kerkenraden. Die zetten een predikant zelf af, maken hem los etc. De classis heeft de adviserende bevoegdheid, maar de kerkenraad de handelende bevoegdheid.
In de CGK-kerkorde heeft de classis de bevoegdheid om een predikant te emeriteren, los te maken, af te zetten, toe te staan een andere staat van leven aan te nemen etc. De positie van ouderlingen en diakenen is aan de kerkenraden, eventueel geholpen door een naburige kerkenraad. Binnen de CGK is de handelende bevoegdheid van de classis op dit gebied in stand gebleven. De gedachte dat de classis alleen een adviserende bevoegdheid zou hebben (die we zo nu en dan tegenkomen in krantenartikelen etc.) is niet in lijn met de CGK-kerkorde. Het is goed mogelijk dat iets van de beweging die we momenteel zien in andere kerken wordt overgenomen, maar kerkordelijk gezien is er niets veranderd aan de rol van de meerdere vergaderingen bij de uitoefening van de tucht.

6. De instrumenten van de meerdere vergaderingen

Het gesprek

Het eerste en voornaamste wat de classis kan doen, is in gesprek gaan met kerkenraden die afwijken van de kerkorde. Het is goed om uitvoerig met elkaar door te spreken over de redenen waarom kerkenraden hiertoe hebben besloten. Wat maakt dat ze tot dit besluit zijn gekomen? Kerkenraden en gemeenten voelen zich lang niet altijd begrepen door het kerkverband en niet serieus genomen in hun specifieke situatie. Het is belangrijk dat er naar hen wordt geluisterd, zonder hun besluit goed te keuren. In het gesprek kan eventueel opgeroepen worden tot inkeer en opgeroepen worden om alsnog en voortaan de kerkorde na te volgen.

Revisieverzoek en appel

Tegen een besluit van een kerkenraad om op een bepaald punt af te wijken van de kerkorde kan door belanghebbenden een revisieverzoek worden ingediend. Het revisieverzoek biedt aan gemeenteleden, maar ook aan classiskerken en andere belanghebbenden, een uitgelezen mogelijkheid om in gesprek te komen met de betreffende kerkenraden. Op grond van de nieuwe Integrale regeling voor de revisie- en appelprocedure kan na een afgewezen revisieverzoek appel worden aangetekend bij de classis.

Vermaan (door visitatoren)

Visitatoren moeten zeker in gesprek gaan met een afwijkende kerkenraad en hebben de bevoegdheid om te vermanen, art. 44 KO: Zij ‘zullen erop toezien’ dat de kerkenraadsleden ‘bij de zuiverheid van de leer volharden, de aangenomen kerkorde in elk opzicht handhaven en de opbouw van de gemeente naar behoren met woorden en werken bevorderen. Daarbij zullen zij hen die nalatig in het één of ander bevonden worden, bijtijds broederlijk vermanen en met raad en daad alles doen strekken tot vrede, opbouw en welzijn van de kerken’.57

Weigeren van geloofsbrieven (lastbrieven)

Het weigeren van geloofsbrieven aan het begin of gedurende een classisvergadering is kerkrechtelijk gezien geen legitieme optie. Deputaten hebben dit uitvoerig onderbouwd in hun notitie van november 2019: ‘De kerk, het kerkverband en het aanvaarden van de geloofsbrieven’. Het weigeren van geloofsbrieven kan alleen al niet, omdat de vergadering geconstitueerd wordt met de acte van de ontvangst van de geloofsbrieven. Dus wie handelt er dan als die brieven geweigerd worden? Een vergadering die nog niet is geconstitueerd? Het weigeren van geloofsbrieven stuit bovendien op elementaire (tuchtrechtelijke) beginselen van ons kerkrecht: hoe is het mogelijk om een kerkenraad en daarmee een hele gemeente af te snijden zonder de daarvoor geëigende trappen van censuur te doorlopen? Het zou van grote onbarmhartigheid getuigen om broeders en zusters van hetzelfde lichaam – het lichaam van Christus – op die wijze buiten te sluiten.

Toepassen tucht over ambtsdragers (79 – 80 KO)

Deze mogelijkheid is in extremis denkbaar. De classis is normaliter niet bevoegd om eigenstandig ambtsdragers af te zetten. Dat is immers voorbehouden aan de eigen kerkenraad in samenwerking met de buurkerkenraad (bij schorsen ouderling en diaken) en de classis (bij schorsen predikant). Bij collectieve grove openbare zonde is art. 30 KO i.c.m. art. 79 – 80 KO een laatste redmiddel om een kerkenraad af te zetten. Zodoende kan een classis de gemeente verlossen van een wanbestuur (bij corruptie, machtsmisbruik e.d.) en bewaren bij het evangelie (bij onschriftuurlijke leringen).

De route om tot afzetting door de classis van een volledige kerkenraad te komen (of het CGK-deel van de kerkenraad, als het om een samenwerkingsgemeente gaat), kent dezelfde procedure als de procedure voor afzetting van een enkele ambtsdrager. In hoofdlijnen:
1. degelijk onderzoek door de classis, zoals ook in de bijlage van de KO aangegeven; specifiek goed letten op hoor en wederhoor;
2. deputaten naar art. 49 KO inschakelen voor advies;
3. wanneer tot tucht wordt besloten: eerst schorsen en daarna tijd geven tot bekering; tevens zal een noodkerkenraad worden ingesteld;
4. wanneer deze periode geen vrucht draagt, de laatste stap: die van afzetting.

7. Samenvatting

In deze notitie hebben we besproken wat volgens deputaten kerkrechtelijk gezien de juiste weg is om met gemeenten te gaan die zich niet houden aan bindende kerkelijke besluiten. In paragraaf 1 hebben we uiteengezet dat het afwijken van kerkordelijke besluiten de eenheid van ons kerkverband onder druk zet. We dienen daarbij wel te beseffen dat dit geen nieuw verschijnsel is. Het is van alle tijden dat kerkenraden besluiten nemen die afwijken van de kerkorde. Om antwoorden te vinden op de vraag hoe we hiermee dienen om te gaan, is het allereerst van belang om helder voor ogen te hebben wat we belijden omtrent de kerk en ons kerk-zijn.
In paragraaf 2 zijn we daarom uitgebreid ingegaan op het fundament onder de kerk en de eigenschappen (wezenskenmerken) van de kerk. Op de belijdenis van Petrus ‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God’ is de gemeente gebouwd, zegt Jezus. In Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus belijden we dat onze Heere Jezus Christus Zélf Zich een gemeente verzamelt en dat Hij die voor altijd beschermt en onderhoudt. Het is niet onze kerk, maar Zijn kerk. Met de geloofsbelijdenis van Nicea belijden we dat de kerk één, heilig, katholiek en apostolisch is.
De ware kerk heeft drie kenmerken: de zuivere prediking van het Evangelie, de zuivere bediening van de sacramenten en de uitoefening van de tucht (art. 29 NGB). De nadruk op de zuivere evangelieverkondiging en de sacramenten zien we in lijn met Calvijn terug in de geschiedenis van onze kerken, waarin we van oudsher onderscheid maken tussen fundamentele zaken (die het hart van de belijdenis van de kerk raken) en niet fundamentele zaken (die de belijdenis niet of slechts zijdelings raken). Wat beleden wordt van de grote wereldwijde kerk geldt ook voor dat concrete kerkverband waarvan wij lid zijn. Er is geen tegenstelling tussen de onzichtbare kerk en de zichtbare kerk. Elke plaatselijke kerk is een zelfstandige, complete kerk en een openbaring van Christus’ kerk op een enkele plaats (Bouwman).
In paragraaf 3 stonden we stil bij het karakter van ons kerkverband. De wortels van ons kerkverband liggen op de synode van Emden (1571). De eenheid van de kerk ligt in de gereformeerde belijdenis die de grondslag van het kerkverband is. Op grond daarvan is de eenheid gevonden en zijn er verdere afspraken gemaakt om kerkelijk samen te leven. De gereformeerde kerken kregen een presbyteriaalsynodale kerkregering. Het primaat ligt bij de presbyters (ouderlingen) en plaatselijke kerken binden zich aan de synodale besluiten.
In paragraaf 4 gingen we nader in op de aard en de bevoegdheden van de meerdere vergaderingen. Plaatselijke kerken en meerdere vergaderingen horen bij elkaar en vormen een geheel. Meerdere vergaderingen beperken zich tot de behandeling van de zaken die de kerken gezamenlijk betreft. Dat het primaat bij de plaatselijke kerken ligt, betekent niet dat de plaatselijke kerken niet gebonden zouden zijn aan onderlinge afspraken. Middels hun vertegenwoordigers bij de meerdere vergaderingen hebben de kerken indirect zelf die afspraken gemaakt.
Een lastige situatie ontstaat wanneer een plaatselijke kerk zich blijft verzetten tegen een besluit van een meerdere vergadering, omdat de kerkenraad ervan overtuigd blijft dat het genomen besluit niet conform Gods wil en Woord is. Door vooraanstaande kerkrechtdeskundigen is verdedigd dat het eigen verstaan van de Schrift voor kerkenraden dient te prevaleren boven de binding aan synodale uitspraken. In onze kerken lijkt de overwegende opvatting te zijn dat kerkelijke besluiten hoe dan ook bindend zijn (met mogelijkheid tot revisie en appel) en dat de GS uiteindelijk het laatste woord heeft als het aankomt op de interpretatie van de Schrift en niet het eigen oordeel van de kerkenraad. Wat de juiste historische interpretatie van art. 31 KO verdient nadere bestudering. Plaatselijke kerken en meerdere vergaderingen zouden er in ieder geval alles aan moeten doen om het onderling eens te worden over de interpretatie en uitwerking van aangelegen tekstgedeelten.
In de 20e eeuw heeft zich in de gereformeerde kerken een kerkrechtelijke beweging voorgedaan die gaandeweg leidde tot meer grip van de meerdere vergaderingen op de kerkenraden. Momenteel lijkt het erop dat de presbyteriaal-synodale kerkregering van twee kanten onder druk staat. Aan de ene kant zien we minder binding met het kerkverband en worden synodale besluiten soms als klemmend ervaren, aan de andere kant zien we een beweging om vanuit het centrum de gelederen te sluiten.
In de 20e eeuw heeft zich in de gereformeerde kerken een kerkrechtelijke beweging voorgedaan die gaandeweg leidde tot meer grip van de meerdere vergaderingen op de kerkenraden. Momenteel lijkt het erop dat de presbyteriaal-synodale kerkregering van twee kanten onder druk staat. Aan de ene kant zien we minder binding met het kerkverband en worden synodale besluiten soms als klemmend ervaren, aan de andere kant zien we een beweging om vanuit het centrum de gelederen te sluiten.
Wanneer er binnen een gemeente openbare zondige praktijken worden gebezigd, heeft de classis een taak om de plaatselijke kerkenraad hierop te wijzen en te vermanen (art. 44 KO). De meerdere vergaderingen hebben in de regel geen bevoegdheid om eigenstandig de tucht toe te passen. In zeer uitzonderlijke situaties kan de classis echter toch tuchtmaatregelen nemen jegens een hele kerkenraad. Dat is mogelijk via artikel 30 KO, als het gaat om tuchtmaatregelen die de eigen kerkenraad niet kan of zal nemen, in het geval van (collectieve) openbare grove zonden.
In paragraaf 6 bespraken we de instrumenten van de meerdere vergaderingen jegens kerkenraden die afwijken van kerkordelijke besluiten. Het eerste en voornaamste wat de classis kan doen, is in gesprek gaan met kerkenraden. Bij volharding kunnen de visitatoren namens de classis overgaan tot vermaan (art. 44 KO). Verdere stappen zijn niet mogelijk. Dat kan alleen anders liggen als kerkenraden zich collectief schuldig maken aan grove openbare zonde. Schorsen en afzetten is dan als laatste redmiddel mogelijk op grond van art. 30 KO i.c.m. art. 79 – 80 KO. Deze procedure is in onze kerken eenmaal eerder gevolgd.

Ten slotte

‘We moeten er alles voor doen om dat te voorkomen’, zo luidt Calvijns appel.
‘Geen broedertwist onder gasten van dezelfde tafel’ (W. Balke).58

 

Deputaten kerkorde en kerkrecht, december 2020.

Voetnoten

  1. In zekere zin is dit bezinningsstuk een vervolg op de notitie ‘De kerk, het kerkverband en het aanvaarden van de geloofsbrieven’ (november 2019), waarin deputaten reeds uitvoerig hebben onderbouwd dat het weigeren van geloofsbrieven op classisvergaderingen geen begaanbare weg is. Het weigeren van geloofsbrieven is een onwettige tuchtmaatregel die onze kerkorde niet kent en in de kerkgeschiedenis niet legitiem is bevonden.
  2. Efeze 2: 20
  3. 1 Petrus 2:4-5
  4. Van ’t Spijker, De kerk, p. 28.
  5. Zie ook NGB artikel 27-29
  6. J. van Genderen, W.H. Velema, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, p. 643
  7. J. van Genderen, W.H. Velema, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, p. 643
  8. Zie Efeze 4: 1-6.
  9. K. Schilder in Verzamelde Werken, De Kerk III, p. 129.
  10. J. van Genderen, W.H. Velema, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, p. 650
  11. W. van ’t Spijker (red.), De Kerk, p. 270.
  12. Van ’t Spijker, De kerk, p. 276.
  13. J. van Genderen, W.H. Velema, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, p. 653
  14. J. van Genderen, W.H. Velema, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, p. 653
  15. In de Rooms-Katholieke kerk is de overeenstemming met de leer van de apostelen ondergeschikt gemaakt aan de apostolische successie. Het evangelie leert ons geen apostolische successie. Niet de opvolging van plaatsen en personen, maar de leer van de apostelen is een kenmerkende eigenschap van de kerk. De apostoliciteit van de kerk rust in de opvolging van de leer. Zie W. van ’t Spijker (red), De Kerk, p.279-281.
  16. Handboek Gereformeerd Kerkrecht, red. Selderhuis, p. 104.
  17. Elders voegt hij toe: de verdorvenheid van het menselijk geslacht, de rechtvaardiging door het geloof, het drievoudige ambt van Christus, de bekering, het geloof in de beloften, de geloofszekerheid, het gebed. Er zijn volgens hem ook onderdelen waarover tussen de plaatselijke en regionale kerken (op bijvoorbeeld exegetisch of dogmatische punten) verschil van inzicht kan en mag bestaan, zonder dat dit de eenheid van het geloof verbreekt. Zie A. de Reuver in De Waarheidsvriend, https://www.digibron.nl/viewer/collectie/Digibron/id/tag:Waarheidsvriend,19951012:newsml_4b932d1ff5135 deafa4e5af3befe628c
  18. 1 Joh. 4: 2.
  19. Zie hiervoor Calvijn, Institutie IV, 1, 7; Van Genderen en Velema, Beknopte Geformeerde Dogmatiek, p. 640.
  20. Gereformeerd Kerkrecht II, p. 4.
  21. Idem, p. 5.
  22. Prof. J. Hovius heeft in zijn ‘Notities betreffende de synode te Emden, 1571′ laten zien dat een modus daarvoor lag in het kerkverband, waarin zowel de zelfstandigheid als de eenheid tot hun recht konden komen. Alle bepalingen die dienen om de eenheid te bewaren hebben betrekking op de eenheid in geloofsovertuiging naar de belijdenis, in andere dingen zijn de kerken vrij.
  23. H.J. Selderhuis, ‘Emden 1571’, interne notitie: ‘Ons kerkverband gaat terug op de synode van Emden waar in 1571 plaatselijke kerken zich aaneensloten tot een kerkverband. Basis was de gemeenschappelijke instemming met de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus. (…) Voor ons geldt de vraag of we niet eerst moeten vaststellen of ieder zich nog aan die belijdenis wil binden. Als dat het geval is, moet het gelet op het beginsel van Emden mogelijk zijn ook een oplossing te vinden voor het vraagstuk van vrouw en ambt, tenzij natuurlijk het voorstander zijn van vrouwelijke ambtsdragers samenhangt met een andere visie op de belijdenis. In ieder geval is het van belang vandaag dieper te gaan dan een discussie over vrouw en ambt, en dieper betekent spreken over en vanuit het fundament van Schrift en belijdenis. Daarin staan de wezenlijke dingen en die verbinden of scheiden.’
  24. A. van Harten-Tip, Kerkblad van het Noorden 27 mei 2011.
  25. http://www.kerkrecht.nl/content/bouwman-m-1937-hii, p. 14.
  26. Golverdingen (2001), p. 105, 106.
  27. Johannes Hoornbeeck, tijdgenoot van Voetius, zegt: ‘De praktijk of macht der synoden kan of mag niets in den weg leggen aan de vrijheid of de macht der plaatselijke kerk, zij (de macht der synode) is toch niet een beroovende maar een saambrengende macht (non privativa, sed cumulativa postestas) en elke plaatselijke kerk, welke ook, blijft een eigen zelfstandigheid en gerechtigd tot de volle kerkelijke macht.’ Zie: http://www.kerkrecht.nl/content/lonkhuyzen-j-van-1926-iv
  28. www.kerkrecht.nl/content/lonkhuyzen-j-van-1926-iv, p. 55. Met de macht der meerdere vergaderingen betreffende de kerken staat het volgens Voetius „zo dat deze macht en autoriteit van classes en synodes, uit afgevaardigden samengesteld: 1. niet betreft een bestendig bezit, maar slechts de uitoefening; 2. en wel niet absoluut is, maar beperkt; 3. niet als overheid maar dienend; 4. niet de hoogste is, maar lager, als we zien op alle afgevaardigde kerken of hare regerende ambtsdragers, wanneer zij tegelijk samenkwamen en stemden; 5. niet oorspronkelijk, maar afgeleid en gedelegeerd; 6. niet zozeer krachtens een prerogatief van jurisdictie, als wel van waardering en eerbied”.
  29. W. van ’t Spijker, De kerk (1990), p. 327.
  30. Handboek Gereformeerd Kerkrecht, red. Selderhuis, p. 300.
  31. Calvijn wijst voor het gezag van de synodes met nadruk op Handelingen 15. Hij grondt de synode ook op 1 Kor. 14: 29-32, waar aan de profeten de macht wordt toegekend om te oordelen over hetgeen een profeet zegt, hetgeen volgens hem ook voor de kerken onderling geldt. Bron: Institutie, hoofdstuk IV, 9, 13. Ook Voetius beriep zich op Handelingen 15. Met de juistheid van dit beroep op het apostelconvent staat of valt volgens Voetius het synodaal regiment. Want in de Kerk kan geen regiment en geen macht zijn door God niet ingesteld en verordend. Bron: ‘Voetius over het gezag der synode 1937’. Greijdanus is echter van mening dat de vergadering te Jeruzalem moeilijk als een synode in de gebruikelijk zin kan worden beschouwd: ‘De vergadering te Jeruzalem moge dan enige goddelijke aanwijzing geven voor het geoorloofd en wenselijk zijn van synodale vergaderingen van plaatselijke kerken, men moet er wel op letten dat alleen wat naar het Woord is gezag heeft. Vaste conclusies ten aanzien van meerdere vergaderingen zijn echter onmogelijk. Dergelijke vergaderingen kunnen echter gewenst en nuttig zijn. Ze zijn met de eenheid van Gods Kerk over de gehele wereld in een zeker opzicht gegeven. De plaatselijke kerken zijn alleen openbaringen van die ene kerk en vormen met elkaar een geestelijk geheel, maar zo, dat de zelfstandigheid van de plaatselijk kerk altijd “ongerept blijve”. Van de zijde van de mens is er bij de meerdere vergaderingen niet anders dan onderlinge afspraak, wederzijdse overeenkomst.’ Bron: S. Greijdanus, ‘De quaestie van het nieuwe kerkrecht VI’, in: De Reformatie, 11 november 1938. Cursivering en vet volgens Greijdanus, p. 39.
  32. ‘Als een kerkeraad tegen een meerdere vergadering zegt: uw besluit is niet naar Gods Woord — dat moet natuurlijk bewezen worden — dan zal bijna altijd verschil rijzen tusschen zoo’n meerdere vergadering, welke het besluit nam in de meening, dat het naar Gods Woord is èn den betrokken kerkeraad, welke dat pertinent ontkent. De partijen staan dan scherp tegenover elkaar. En in zoo’n situatie moet nu de kerkeraad voor zichzelve beslissen. De kerkeraad spreekt in het voor vast-en-bondig-houden dus het laatste woord.’ Rutgers, De Rechtsbevoegdheid onzer Plaatselijke Kerken, p. 34.
  33. Idem, p. 41-42.
  34. Jansen, Korte Verklaring van de Kerkordening, p. 147.
  35. Greijdanus: ‘Zoo namelijk, dat zij met die andere kerken afspreekt, zich van afzonderlijke leervaststelling te onthouden, maar deze aan de meerdere vergadering (in casu eene synode) over te laten, met behoud evenwel van het recht tot eigen beoordeeling inzake overeenstemming met Gods Woord; vgl. art. 31 K.O.. Ook laat zij de bestuursregeling van het samenleven der kerken aan de meerdere vergaderingen over, zonder echter ook daarbij eigen oordeel en zelfstandigheid prijs te geven.’ www.kerkrecht.nl/content/harinck-g-ea-1998-h14, p.250.
  36. C. Veenhof, Om de Unica Catholica – Een beschouwing over de positie van de bezwaarden onder en over de synodocratie (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1949), p. 319.
  37. http://www.bertloonstra.nl/blog/artikel-31-2/
  38. Met de restrictie dat kerkenraden nooit gedwongen kunnen worden tot tuchtrechtelijke maatregelen, zoals ds. Quant het namens deputaten verwoordde op de GS van 2016: ‘Bij sommige besluiten van de synode kan een kerkenraad zich neerleggen, al is hij het er niet mee eens. Maar een kerklid vermanen of onder tucht zetten doe je niet omdat de synode dat opdraagt, dat doe je uit eigen overtuiging. De kerkenraad is geen uitvoerend orgaan van de synode.’
  39. In W. van ’t Spijker (red), De Kerk, pag. 266 wordt als illustratie daarbij het voorbeeld genoemd dat in de tijd van de Reformatie tal van vooraanstaande mensen van gereformeerde confessie bereid waren de lutherse geloofsbelijdenissen te ondertekenen: ‘Het ging immers om de ene kerk, die zich wel in verschillende landskerken en plaatselijke kerken in een zekere zelfstandigheid kon openbaren. Het ging in Duitsland om een lutherse, in Zwitserland om een gereformeerde, maar in wezen om één kerk’.
  40. Let wel: we binden ons aan de ‘stukken’. Belijdenisgeschriften zijn kerkelijke (en dus menselijke) samenvattingen van de Schrift, we binden elkaar niet aan ondergeschikte punten, zoals de vraag of Paulus de brief aan de Hebreeën wel schreef (NGB art. 4); of in vraag en antwoord 11 HC niet ten onrechte Gods barmhartigheid en Zijn gerechtigheid tegenover elkaar worden gezet.
  41. D. Quant, notitie geloofsbrieven, pag. 2 (interne notitie dep. kerkorde en kerkrecht, sept. 2019)
  42. D. Quant, notitie geloofsbrieven, pag. 2 (interne notitie dep. kerkorde en kerkrecht, sept. 2019)
  43. Handboek Gereformeerd Kerkrecht, red. Selderhuis, p. 392.
  44. Zie art. 41 KO en art. 77 en 79 KO inzake de rol van de classis bij de kerkelijke tucht.
  45. Denk aan Spreuken 15: 22: ‘Plannen falen, als er geen overleg is, maar door een veelheid van raadgevers komt het nodige tot stand.’
  46. De laatste leeruitspraak was bijna een eeuw geleden (zie art. 52 onder lid 2b). Een GS kan eigenlijk geen leeruitspraken doen buiten een heel duidelijk ‘zo spreekt de Heere’ om. Ons kennen is immers ten dele. De CGK zijn altijd zeer terughoudend geweest om leerbesluiten te aanvaarden buiten de drie verbindende belijdenissen om. De kerkgeschiedenis heeft geleerd dat we voorzichtig moeten zijn met het verheffen van onze interpretatie van Schriftgedeelten tot de enig juiste interpretatie en tot dé bindende norm voor het hele kerkverband.
  47. De bezwaren van ds. Van Lingen en ds. Wisse zagen op de leer van de veronderstelde wedergeboorte die door dr. Kuyper werd voorgestaan. Volgens Kuyper is de kerk een vergadering van gelovigen op grond van predestinatie (uitverkiezing) en wedergeboorte. De veronderstelling wedergeboren te zijn, is volgens hem de grond voor de kinderdoop. Nadruk behoort niet te liggen op het individu, maar op het verbond dat God met de mens in de lijn van de geslachten sluit. De predikanten Van Lingen en Wisse vonden deze leer ‘bederfelijk’ voor het kerkelijk leven en in strijd met de Bijbel. Ze riepen op tot ‘onderscheidenlijke’ of ‘separerende’ prediking. Er diende onderscheid gemaakt te worden tussen ‘het ware zaligmakende geloof’ en ‘niet-zaligmakend geloof’. Op die manier functioneert de prediking als een ‘sleutel van het hemelrijk’.
  48. De leeruitspraken worden met enig recht daarom weleens gekscherend ‘het vierde belijdenisgeschrift’ genoemd. Het geeft wel het gewicht van deze leeruitspraken aan.
  49. Ze verklaren zich ook te binden aan de kerkorde, echter niet op straffe van schorsing.
  50. Acta 1998, p. 119 (art. 230).
  51. Deze lijst van volstrekt onduldbare zonden bij ambtsdragers is vrijwel letterlijk aan Calvijn ontleend die ze opgenomen had in de kerkorde van Genève 1541.
  52. Binnen onze kerken is de mogelijkheid om een gehele kerkenraad af te zetten via de route van artikel 30 KO tweemaal aan de orde geweest. Eenmaal kwam het daadwerkelijk tot afzetting en eenmaal kon dat worden voorkomen doordat er alsnog een inhoudelijk vergelijk tussen de kerkenraad en de classis kwam. Beide keren was hierover kerkrechtelijk advies ingewonnen bij de toenmalige hoogleraar kerkrecht.
  53. Reeds Voetius was van oordeel dat in ernstige situaties een bredere vergadering moet kunnen ingrijpen als de situatie in een plaatselijke gemeente met een dwarsdrijvende kerkenraad geheel uit de gereformeerde rails loopt: ‘Bij aldien het grooter deel des volks, ja allen en een iegelijk, met den kerkeraad incluis, hopeloos bedorven zijn, en bijgevolg verdienen geëxcommuniceerd te worden (dan zijn er vier wegen open): Dan moet namelijk, of ter plaatse en in een gewone samenkomst door afgevaardigden van synode of classe formeel een besluit tot excommunicatie worden afgekondigd …’ Bron: http://www.kerkrecht.nl/content/lonkhuyzen-j-van1926-iv, p. 49.
  54. D. Quant, Notitie geloofsbrieven, pag. 4 (interne notitie dep. kerkorde en kerkrecht, sept. 2019)
  55. D. Quant, Ambtelijk Contact, 1 mei 2007.
  56. Zoals eerder besproken, zijn er veel meer kerken die bindende GS-besluiten niet nakomen, bijvoorbeeld aangaande de liturgie, belijdenis van de waarheid, één dienst per zondag, frequentie avondmaalviering, herbevestiging ambtsdragers en periodieke financiële afdrachten. Maken al die kerkenraden zich schuldig aan meineed of een daarmee vergelijkbaar misdrijf?
  57. Broederlijk vermanen, want de kerken horen samen bij dat ene grote huisgezin van onze hemelse Vader. Het werkwoord vermanen is een Bijbels woord (1 Thess. 5:11 en 14 bv.). In onze Nederlandse vertalingen wordt dat vermanen ook wel oproepen, bemoedigen, troosten genoemd. Het is een heel warm woord in de Schriften. Je neemt er dan ook de tijd voor, je hebt geduld, je weet van wachten. De zaak van de eenheid van de kerken is dat meer dan waard: het gaat immers om de vrede die door bloed geschonken is? Vermanen gebeurt met een beroep op de ‘ontfermingen van God’, Rom. 12:1. Dus ook op die toonhoogte. Dat vermanen mag en zal dus tijd kosten. Soms lijkt er in de kerken zich iets van een ongeduld af te tekenen op dit punt: ‘het moet nu maar eens afgelopen zijn!’ Dat is niet de stijl van het Koninkrijk.
  58. Digibron, A. de Reuver 1995, Calvijn en de eenheid van de kerk (4).