Veelgestelde vragen over de recente ontwikkelingen in het kerkverband en de positie van deputaten Kerkorde en kerkrecht
Deze FAQ is samengesteld op basis van de notities en communicatie van deputaten Kerkorde en kerkrecht over de recente ontwikkelingen en spanningen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken.
Over de aard van het kerkverband en afwijken van gezamenlijke besluiten
De kerken van gereformeerd belijden in ons land hebben als grondslag van de kerk aanvaard: de belijdenisgeschriften uit de tijd van de Reformatie, de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561), de Heidelbergse Catechismus (1563) en de Dordtse Leerregels (1618/1619). In die belijdenisgeschriften is de kern van wat over de kerk gezegd wordt dat ‘de Zoon van God van het begin der wereld tot aan het einde Zich uit de gehele mensheid een gemeente, die tot het eeuwige leven is uitverkoren, door zijn Geest en Woord in de eenheid van het ware geloof vergadert, beschermt en in stand houdt’.
Het woord kerk is in onze taal een zelfstandig naamwoord, maar eraan ten grondslag ligt het Griekse woord kuriakè. Dat is een bijvoeglijk naamwoord, afgeleid van het zelfstandig naamwoord: Kurios / Heere. De kerk is van de Heere. Ze is dus niet zelfstandig en heeft geen ‘identiteit’ dan dat ze van de Goede Herder is, die verloren mensen zoekt en redding schenkt. Aan het Heilig Avondmaal zijn we daarom ook niet als ‘ons soort mensen’ onder elkaar, maar delen we bij alle onderlinge verschillen dit ene, dat we het moeten en willen hebben van Hem die ons de schuld vergeeft en ons leven vernieuwt.
Volgens het gereformeerd kerkrecht ontstaat het kerkverband niet ‘van bovenaf’, vanuit de meerdere vergaderingen die worden gehouden, maar ‘van onderaf’, vanuit de plaatselijke kerken die elkaar opzoeken. Het kerkverband bestaat omdat plaatselijke kerken elkaar herkennen in een gezamenlijke belijdenis en op grond van die gezamenlijke belijdenis besluiten samen op te trekken en de dingen gezamenlijk te regelen (zie Emden 1571, ‘Notitie geloofsbrieven’). Een kerkverband bestaat niet bij de gratie van meerdere vergaderingen die het kerkverband leiden. Een groot deel van het jaar zijn er geen meerdere vergaderingen, enkel de plaatselijke kerken en toch blijft het kerkverband bestaan.
Plaatselijke kerken kunnen zich onttrekken aan het verband (zie Artikel 37.2 KO). Het gereformeerd kerkrecht beschrijft echter niet hoe een kerkverband verbroken kan worden, omdat het principieel uitgaat van het bijeen horen van kerken die één zijn in belijden.
Het kerkverband houdt niet op te bestaan als de meerdere vergaderingen (zoals een synode) niet goed functioneren. Echter, de continuïteit en het effectief functioneren van het kerkverband komen dan wel ernstig in gevaar. Meerdere vergaderingen zijn essentieel voor het gezamenlijk regelen van zaken en het beslechten van geschillen. Als deze functies wegvallen, leidt dit tot grote onduidelijkheid, onzekerheid voor plaatselijke kerken en kan het kerkverband op termijn zelfs ‘uit elkaar vallen’ door gebrek aan een gezamenlijke koers en rechtszekerheid.
Als kerken afwijken van besluiten van meerdere vergaderingen, is dat zonder meer in strijd met de kerkorde. Wanneer kerken zich niet houden aan gezamenlijke afspraken, wordt het onderlinge vertrouwen zeer geraakt en onder druk gezet, met alle gevolgen van dien. Uiteraard is niet ieder afwijken van dezelfde orde. De aard van het afwijken, maar ook de motieven daarvoor en de wijze waarop kerken divergeren, spelen een rol. Gebeurt het uit liefde, zorgvuldigheid en overtuiging? Of uit gemakzucht, opstandigheid of polarisatie?
De inzet van de kerken en de kerkelijke vergaderingen zal daarom gericht moeten zijn op het aangaan van een diepgaand gesprek over de oorzaak van deze afwijkingen, met als uiteindelijk doel herstel van de eenheid en een zorgvuldige omgang met de theologische en pastorale complexiteit.
Dit is een weloverwogen theologische en kerkrechtelijke keuze. Het is niet de taak van deputaten om dergelijke oordelen uit te spreken over kerken; dat is in de kerkelijke context hooguit voorbehouden aan de meerdere vergaderingen na een zorgvuldig proces. Een andere reden om terughoudend hierin te zijn, is dat sommige van deze kerken aangeven in gewetensnood te verkeren en/of naar eigen zeggen op grond van gehoorzaamheid aan Gods Woord geen andere mogelijkheid zien dan om af te wijken van synodale besluiten. In deze complexe en delicate context achten deputaten het niet passend om op voorhand deze motieven af te keuren en zonder weging daarvan één op één over zonde te spreken.
Deputaten hebben in hun communicatie altijd helder proberen te maken dat het afwijken van synodale besluiten niet legitiem is (zie bijvoorbeeld onze notitie ‘’Bevoegdheid meerdere vergaderingen’’). Tegelijk geldt dat kerkenraden die afwijken van synodale besluiten niet per se bij allerlei besluiten eigen wegen gaan. De meeste kerken houden zich aan alle kerkordelijke en synodale afspraken, maar ze maken een uitzondering op een punt waarbij zij aangeven ‘gewetensnood’ te ervaren.
Het afwijken van kerkelijke afspraken gebeurt overigens niet nu voor het eerst. De CGK kent een lange geschiedenis van in dat geval in gesprek gaan met zo’n kerk. Dat kan een ernstig, vermanend, gesprek zijn, maar tegelijkertijd gold dat zo’n kerkenraad niet onder tucht werd gezet, maar dat die kerk verdragen werd in een afwijkend gevoelen of een daadwerkelijk afwijkende praktijk.
De belijdenis dat de kerk één is, is een fundamentele overtuiging die diep verankerd ligt in het getuigenis van de Schrift en daarom ook in de daarop gegronde gereformeerde belijdenis. Artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt over één, heilige, algemene christelijke Kerk, terwijl Artikel 28 expliciet stelt dat gelovigen zich niet behoren af te scheiden van deze heilige vergadering, maar zich bij haar behoren te voegen en zich met haar behoren te verenigen. Daarbij gaat het uitdrukkelijk over het bewaren van ‘de eenheid van de kerk’.
Overeenkomstig deze artikelen is de kernovertuiging dat als kerken dezelfde gereformeerde belijdenis onderschrijven, zij ‘één zijn’, en niet slechts ‘het eens zijn’. Dit betekent dat scheiding in beginsel als een onmogelijkheid wordt gezien en dat er actief naar eenheid gezocht moet worden. Deze lijn is in de historie van de CGK metterdaad gevolgd, zoals blijkt uit pogingen om tot eenheid te komen met onder andere de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt).
Ondanks de waarheid van de belijdenis in de artikelen 27 en 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is de praktijk is dat er verschillende kerkverbanden zijn ontstaan en nu naast elkaar bestaan. Toch mag dit in het licht van de gereformeerde belijdenis niet als normaal of verantwoord worden beschouwd. Het uitgangspunt blijft dat de eenheid in belijden zal moeten leiden tot één kerkverband, tenzij er sprake is van een fundamenteel confessioneel verschil dat een scheiding onvermijdelijk noodzakelijk maakt.
Een legitieme grond voor scheiding wordt in de gereformeerde belijdenis alleen verbonden met de vraag of een kerk een ‘ware’ dan wel ‘valse’ kerk is. Met een ‘valse kerk’ wordt een kerk bedoeld die de fundamentele kenmerken van de ware kerk (zuivere prediking van het Evangelie, zuivere bediening van de sacramenten en deugdelijke tuchtoefening) niet meer in acht neemt of die zelfs tegengaat en de autoriteit van Christus en zijn Woord ondergeschikt maakt aan menselijke opvattingen of tradities. Het ‘vals’ zijn van een kerk is een legitieme reden om zich van zo’n kerk af te scheiden. Als een kerk niet als vals wordt erkend, is de kerkrechtelijke consequentie dat men zich daarvan niet mag afscheiden.
Onenigheid of verschil van inzicht over de uitleg van een Schriftgedeelte is op zichzelf nog geen scheidingsgrond, tenzij deze uitleg zó fundamenteel afwijkt dat het de kern van de gereformeerde belijdenis raakt of de kerk tot een ‘valse kerk’ maakt.
De notitie ‘Bevoegdheden meerdere vergaderingen t.a.v. kerken die afwijken van kerkordelijke besluiten‘ vermeldt expliciet dat “Kerkordelijke besluiten aangaande de uitleg van de Schrift bindend zijn, maar staan kerkrechtelijk op een lager niveau dan de officiële leeruitspraken.” Dat betekent dat een afwijking van een synodaal besluit over Schriftuitleg weliswaar een interne kwestie kan zijn die tuchtmaatregelen binnen het kerkverband rechtvaardigt (zoals vermaan), maar niet per se een grond voor scheiding van het kerkverband vormt, behalve wanneer het leidt tot een afwijken van de belijdenis of als er sprake is van een collectieve grove zonde.
Over de rol van deputaten en kerkelijke procedures
Onze rol is primair adviserend en faciliterend ten aanzien van kerkrechtelijke processen. Wij leggen de kerkorde uit en adviseren kerkelijke vergaderingen wat het gereformeerde kerkrecht betekent voor de toepassing van de kerkorde en hoe er moet worden omgegaan met afwijkingen van de kerkorde. Het is niet onze taak om zelf disciplinaire maatregelen op te leggen of theologische oordelen te vellen. De bevoegdheid daartoe ligt bij de kerkelijke vergaderingen.
In deze verwarrende en zorgelijke tijd binnen ons kerkverband ontvangen wij veel vragen van kerkenraden over de gevolgen van de recente synodebesluiten voor de kerkorde en het kerkrecht. Dat geldt met name voor het besluit van de synode om geen roepende kerk aan te wijzen. Onze notitie is opgesteld om een analyse te bieden van deze complexe kerkordelijke situatie en een mogelijke oplossingsrichting aan te reiken voor het vastgelopen functioneren van het kerkverband. Het publiceren ervan past binnen ons mandaat om de kerken te adviseren en kerkrechtelijke duiding te bieden in een periode van grote onzekerheid.
Hoewel wij door de synode zijn benoemd, zijn wij primair in dienst van de kerken. Ons mandaat reikt breed: onze functie is, naast het verzorgen van de uitgave van de kerkorde, het verstrekken van kerkrechtelijk advies, het bevorderen van een juist gebruik van het gereformeerd kerkrecht en het waarborgen van de rechtszekerheid.
Artikel 31 KO stelt dat besluiten van een kerkelijke vergadering genomen worden ‘na gemeenschappelijk overleg en zo mogelijk met eenparige stemmen’ en dat wat op die manier besloten wordt ‘voor vast en bondig’ zal ‘worden gehouden, tenzij bewezen wordt dat dit in strijd is met het Woord van God, de belijdenis, of de kerkorde of dat de kerkelijke vergadering in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen’.
Het artikel zegt eerst iets over de manier waarop kerkelijke besluiten genomen dienen te worden.
Vervolgens zegt het artikel dat wát er op die goede kerkelijke manier gezamenlijk besloten is ‘voor vast en bondig gehouden zal worden’, dus dat de kerken zich eraan moeten houden.
Ten slotte zegt het artikel dat als een kerk ervan overtuigd is dat het genomen besluit in strijd is met Gods Woord, de belijdenis, de kerkorde of de redelijkheid, hij dat besluit niet mag houden maar de andere kerken ervan dient te overtuigen dat het een verkeerd besluit is. Dit gebeurt door het indienen van een revisieverzoek (bij de vergadering die het besluit nam) en eventueel daarna door in appel te gaan bij een meerdere vergadering.
Als de weg van appel volledig gelopen is en de andere kerken zijn níet door de aangevoerde argumenten overtuigd dat het een fout besluit is (dus het revisieverzoek en/of het appel wordt afgewezen), dan staat het besluit vast. Maar wat als de bezwaarde kerk niet overtuigd wordt door de weerlegging van zijn bezwaar? Dat is een serieus probleem, dat in het gereformeerd kerkrecht ook wordt erkend, waarvoor oplossingsrichtingen zijn aangewezen, maar dat steeds van alle kerken zeer veel vraagt. In ‘De Dordtse Kerkorde. Een praktische verklaring’ schrijft ds. K. de Gier over geweten bindende aangelegenheden, dat daarbij het uiterste gedaan moet worden om binnen het kerkverband te kunnen komen tot een oplossing van het geschil. Wanneer niet tot een vergelijk gekomen kan worden, zijn er drie opties: 1. de bezwaarde conformeert zich aan de uitspraak; 2. onder voorwaarden tolereert de meerdere vergadering het afwijkend gevoelen van de bezwaarde; 3. de meerdere vergadering eist naleving van het besluit disciplinair op. De uiterste consequentie hiervan kan zijn dat de bezwaarde wordt geëxcommuniceerd of dat de bezwaarde uit eigener beweging de gemeenschap met het kerkverband verbreekt.
Wanneer zowel de bezwaarde kerk het besluit uit gewetensbezwaar niet kan uitvoeren én het kerkverband het niet kan dragen om de kerk in het afwijken van dit besluit te aanvaarden, is er een lijn in het gereformeerd kerkrecht die zegt dat het in dat geval beter is om als kerk het kerkverband te verlaten, dan dat je gedwongen zou worden iets te doen wat je voor Gods aangezicht niet kunt verantwoorden. Dat is wel wezenlijk iets anders dan dat het kerkrecht zou zeggen: dan moet die kerk het kerkverband maar verlaten. Het kerkrecht zegt: ‘het is béter het kerkverband te verlaten, dan iets te gaan doen wat je voor Gods aangezicht niet kán doen’. Maar het is beide níet waar het kerkrecht op uit is.
Nee, op grond van het gereformeerde kerkrecht kan niet eenvoudig geconcludeerd worden dat een kerk die zich niet aan bepaalde kerkelijke besluiten houdt, zich buiten het kerkverband plaatst. De kerk is geen vereniging die gegrond is op statuten (de kerkorde), waarbij je geroyeerd wordt als je niet aan de statuten voldoet. De kerk is gegrond op het fundament van de kerk: Christus. Ze vindt haar eenheid in Hem. En de regels voor het kerkelijk samenleven (zoals de kerkorde) vloeien daaruit voort. Daarom is het ernstig als de onderlinge regels niet goed functioneren. Tegelijk mag niet uit het oog verloren worden dat die regels zelf het kerkverband niet constitueren en dat overtreding van de regels niet vanzelfsprekend leidt tot een buiten de kerk komen te staan.
Ja, artikel 31 KO stelt zeker dat besluiten van meerdere vergaderingen bindend zijn. Echter, dat artikel zegt veel meer dan alleen dat. Voor verdere toelichting zie het antwoord op vraag 13. Maar dit is cruciaal: je mag nooit gedwongen worden iets te doen dat je in geweten voor God niet kunt verantwoorden.
Artikel 31 KO schrijft voor dat als er een kerk is die zich in geweten niet neer kan leggen bij een genomen besluit omdat zij overtuigd is dat het niet in overeenstemming is met Gods Woord, zij dit moet melden aan de andere kerken en moet proberen hen te overtuigen dat het genomen besluit fout is. Als die kerk dat doet, moet zij er zeker van kunnen zijn dat er vervolgens samen indringend gezocht wordt naar een wegnemen van het bezwaar; dat de Schrift wordt onderzocht, om samen helderheid te krijgen op het punt dat tot verdeeldheid leidt. Als dat laatste níet gebeurt, er niet echt geluisterd wordt naar argumenten en de Schrift niet diepgaand met elkaar wordt geopend, dan is de kans groot dat het gewetensbezwaar blijft bestaan. Hoe de kerken in zo’n situatie in het licht van het gereformeerde kerkrecht met elkaar kunnen omgaan, komt bij vraag 13 aan de orde.
Artikel 31 van de kerkorde is zeker wel in volle werking en bindend. Besluiten van meerdere vergaderingen worden geacht ‘vast en bondig’ te zijn. Het niet nakomen van een regel ondermijnt de naleving of de praktijk, maar ontneemt de regel zelf niet haar bindende karakter of ‘rechtskracht’. Het artikel dient als het kader voor kerkrechtelijke procedures, waarmee het de structuur en eenheid van de CGK probeert te waarborgen.
Hoewel er in de praktijk spanningen en discussies zijn over de interpretatie en naleving van de ’tenzij’-clausule in artikel 31, ondermijnt dit de principiële rechtskracht van het artikel niet. Dat er voortdurend over dit artikel wordt gesproken, bevestigt juist de centrale en functionele rol die het speelt in de kerkelijke orde.
Over de recente synode en de roepende kerk en daarmee samenhangende vragen
De ‘roepende kerk’ is een specifieke plaatselijke kerk die aan het eind van een meerdere vergadering wordt aangewezen. Die kerk krijgt de taak en de verantwoordelijkheid om de volgende meerdere vergadering voor te bereiden en bijeen te roepen (zie Artikelen 41, 47 en 50 van de kerkorde). Het aanwijzen van een roepende kerk is dus een kerkordelijke plicht en is cruciaal om de voortgang en het functioneren van het kerkverband te borgen.
Het aanwijzen van een roepende kerk is te vergelijken met het uitwerpen van een anker naar de toekomst. Een roepende kerk krijgt de taak om op de afgesproken tijd de andere kerken bij elkaar te roepen voor een volgende vergadering.
Een volgende meerdere vergadering waarborgt de continuïteit van wat de kerken samen hebben afgesproken. Het is een belofte en een hoop dat we over drie jaar elkaar als kerken weer zullen treffen en in de tussentijd als kerken samen zullen werken aan de roeping, de afspraken en de opdrachten die we gezamenlijk hebben. Door geen roepende kerk aan te wijzen wordt als het ware de weg naar de toekomst geblokkeerd.
Het niet aanwijzen van een roepende kerk heeft grote kerkordelijke en praktische gevolgen, wat het belang ervan zo aanzienlijk maakt. De roepende kerk fungeert als een “anker naar de toekomst” en is essentieel voor de continuïteit van het kerkverband. Zonder een roepende kerk, die verantwoordelijk is voor het bijeenroepen van de volgende synode, komt de vergaderstructuur van het kerkverband in gevaar. Ook is de aanwijzing van een roepende kerk van groot belang voor het appelrecht: bij de roepende kerk worden de revisieverzoeken en appels voor de volgende synode ingediend. Bovendien is de generale synode de vergadering die kerkelijk het laatste woord heeft in de kerkelijke appelprocedure (zoals beschreven in de Integrale Revisie- en Appelprocedure (IRRA), die hoort bij Artikel 31 KO). Voor de rechtsbescherming is van zeer groot belang dat de generale synode steeds weer wordt samengeroepen.
Nee, het nalaten hiervan betekent dat het kerkrecht op dit punt niet is gevolgd en dat het genomen besluit als kerkordelijk onjuist moet worden beschouwd. Het aanwijzen van een roepende kerk is een procedurele plicht bij de sluiting van een synode, vastgelegd in de kerkorde (art. 50 KO). Het feit dat de generale synode zelf aangaf ‘vastgelopen’ te zijn en daarom haar ‘opdracht terug gaf aan de plaatselijke kerken’, ontslaat haar kerkordelijk gezien niet van de plicht om een roepende kerk aan te wijzen.
De aanwijzing van een roepende kerk dient om de continuïteit van de vergaderstructuur van het kerkverband te waarborgen. De plicht daartoe blijft ook gelden als een synode moeizaam is verlopen en op essentiële punten niet tot een gedragen oplossing kon komen. In zo’n geval is het aan een volgende synode om verder te gaan waar de vorige synode niet verder kon en waar nodig alsnog de agenda af te werken en de stukken te behandelen die eerder door de kerken op de tafel van de synode waren gelegd.
Deputaten constateren dat de kerkorde, nu er bewust van het beschreven recht is afgeweken, geen eenduidige weg wijst hoe de orde hersteld moet worden. Vanuit het kerkrechtelijke uitgangspunt dat in een presbyteriaal-synodaal stelsel het uitgangspunt bij de plaatselijke kerk ligt en vanuit het besluit dat de synode nam om de verantwoordelijkheid voor een verder samenleven bij de plaatselijke kerken te leggen, lijkt het ons het meest in lijn van zowel het kerkrecht als het genoemde besluit te liggen als de plaatselijke kerken deze verantwoordelijkheid oppakken en op de één of andere wijze een nieuwe roepende kerk aanwijzen. De kerk van Dordrecht-Zuid heeft hierin een stap gezet door de kerk van Hoogeveen als zodanig te beschouwen en andere kerken op te roepen hiermee in te stemmen. Deze weg lijkt deputaten niet in strijd met de bedoeling van de kerkordelijke bepalingen, al wordt hij in de kerkorde om de genoemde reden niet gewezen.
De centrale oproep is om, ondanks gevoelens van verdriet, verwarring en verontwaardiging, elkaar als kerken op te zoeken in de classicale vergaderingen en daar gezamenlijk het gesprek te voeren over de ontstane situatie. Belangrijk zullen daarbij de vragen zijn naar het fundament en het wezen van de kerk. Deputaten roepen de kerken op tot onderlinge liefde en elkaar vast te houden en te hervinden op het fundament van de eenheid in belijden. Er is kerkrechtelijk en confessioneel gezien geen grond om het kerkverband te mogen verbreken, totdat na indringend en uitvoerig gesprek bij een geopende Schrift gezamenlijk is geconcludeerd dat er géén eenheid in belijden meer is.
Het schenden van kerkelijke afspraken is ernstig en één van de voornaamste oorzaken van de huidige crisis in onze kerken. In de notitie ‘Bevoegdheden van meerdere vergaderingen’ wordt hier dieper op ingegaan. Daar wordt het probleem erkend van afwijkende praktijken, ook na vermaan, en worden de mogelijkheden aangewezen die kerkelijke vergaderingen hebben om daarop te reageren. Die mogelijkheden gaan in het uiterste geval zelfs tot aan het oefenen van tucht over de ambtsdragers van een gemeente. Dat is allerminst een bagatellisering of een niet inzien van de ernst van de situatie.
Hoewel dit door sommigen wordt betwist, zeggen wij echt op grond van het gereformeerd kerkrecht dat áls de orde, gehoorzaamheid en geestelijke gemeenschap zijn geschonden, het zaak is dat die zo snel mogelijk hersteld worden en dat dat moet gebeuren via de bestaande kerkelijke structuren.
Belangrijk daarbij is dat het kerkrechtelijk gezien zó ligt, dat wanneer er sprake is van kerkelijke ongehoorzaamheid (zoals afwijken van bepaalde synodebesluiten) en van kerkordelijke fouten (zoals wanneer een meerdere vergadering nalaat een nieuwe roepende kerk aan te wijzen), daarmee niet het kerkverband vervallen is. De kerkorde geldt onverminderd en de kerkelijke vergaderingen van classis en particuliere synode zijn gewoon intact. Juist via die bestaande kerkelijke structuren zal de kerkelijke orde en eenheid hersteld moeten worden. Iedere poging om zich opnieuw te verenigen búiten de bestaande structuren om kan kerkrechtelijk niet anders dan als kerkscheurend getypeerd worden.
Voor het herstel van orde, gehoorzaamheid en eenheid is daarom cruciaal dat de kerkelijke vergaderingen wettig (met geldige lastbrieven) bijeenkomen.
Een lastbrief wordt door een kerk meegegeven aan haar afgevaardigden naar een classisvergadering. De brief noemt de namen van de afgevaardigden en verklaart dat zij de opdracht en bevoegdheid hebben om namens de zendende kerk alle wettige classicale zaken te behandelen, in overeenstemming met Gods Woord, de belijdenis en de kerkorde. De lastbrief is dus bewijs van wettige afvaardiging.
Een classisvergadering is pas wettig bijeen en kan pas handelen nadat de lastbrieven zijn gecontroleerd en de rechtmatige afvaardiging is vastgesteld. Zonder geldige lastbrieven is er geen sprake van een kerkelijke vergadering. Zoals ds. K. de Gier stelt: “Zonder geloofsbrief kan niemand als lid van de kerkelijke vergadering zitting hebben. Krachtens de geloofsbrieven handelen de afgevaardigden niet alleen in naam van hun gemeenten (…), maar door de geloofsbrieven krijgen de meerdere kerkelijke vergaderingen ook hun autoriteit” (‘De Dordtse Kerkorde’, p. 183). Wie geen lastbrief heeft, heeft ook geen stem- of spreekrecht maar kan slechts waarnemer zijn.
De lastbrieven zijn dus constituerend voor de geldigheid en autoriteit van de vergadering.
De kerkorde spreekt niet over een minimaal aantal kerken dat aanwezig dient te zijn om een classisvergadering wettig te laten zijn. Wel gaat art. 41 KO uit van een vergadering van alle kerken van het classicaal ressort. Wanneer alle kerken door de roepende kerk worden uitgenodigd voor een vergadering (of bij een provisorische of conditionele sluiting door het huidige moderamen voor een vervolgvergadering), worden alle kerken verwacht. Wanneer kerken uit de classis niet aanwezig kunnen of willen zijn, maakt hun afwezigheid de wettigheid van de vergadering niet ongedaan. Uiteraard dienen de classiskerken zich ervoor in te spannen dat alle classiskerken de vergadering kunnen bijwonen. Maar uiteindelijk zal na de normale, zorgvuldige uitnodiging voor een classisvergadering de wettigheid van de vergadering worden vastgesteld aan de hand van de geldige last- of geloofsbrieven.
Een lastbrief van een gemeente is deugdelijk wanneer deze twee zaken erop vermeld staan: de naam van de afgevaardigden naar een classisvergadering en een verklaring met handtekening van hun kerkenraad, dat deze afgevaardigden last en macht hebben om namens deze kerk alle zaken die wettig op de tafel van de classis liggen te behandelen. Via een lastbrief geeft een kerk aan, dat ze via de afgevaardigden zelf aanwezig is op de vergadering. Daardoor constitueert ze met de andere kerken die via hun afgevaardigden-met-lastbrief aanwezig zijn de vergadering en maakt zo de vergadering wettig.
Een lastbrief is dus direct een bewijs van erkenning van de wettigheid van de kerkelijke vergadering en kan per definitie niet samengaan met een verklaring op de lastbrief dat men de vergadering níet erkent. Het is de taak van een roepende kerk om de lastbrieven te controleren op deugdelijkheid en om eventueel vast te stellen dat een lastbrief niet als wettige lastbrief geaccepteerd kan worden. Consequentie van het niet meebrengen van een deugdelijke lastbrief is dat iemand niet deel kan nemen aan de classisvergadering en hooguit als waarnemer bij de vergadering ontvangen kan worden.
Wanneer een kerkenraad aan zijn afgevaardigden bij de lastbrief de instructie meegeeft om over sommige onderdelen van de agenda niet mee te besluiten, is dat een zaak van de kerkenraad en zijn afgevaardigden. Die instructie is geen onderdeel van de lastbrief zelf. Kerkenraden die met een deugdelijke lastbrief deelnemen aan de vergadering maken deel uit van de classisvergadering en erkennen de kerkelijke rechtsgeldigheid van deze vergadering. Die rechtsgeldigheid geldt voor de hele vergadering en niet slechts voor die onderdelen waarbij de afgevaardigden actief meedoen aan de besluitvorming.
Ja, classisvergaderingen dienen onverminderd bijeen te komen. Dit is geen optionele keuze, maar een kerkordelijke afspraak waaraan alle 181 kerken van de Christelijke Gereformeerde Kerken gebonden zijn. Artikel 41 van de Kerkorde stelt immers expliciet dat de classis minstens tweemaal per jaar vergadert op een vastgestelde plaats en tijd, en dat aan het einde van elke vergadering een volgende roepende kerk wordt aangewezen. Deze bepalingen zijn verplichtingen die de kerken met elkaar zijn overeengekomen. Het bewust nalaten van het houden van classisvergaderingen is onrechtmatig, aangezien artikel 87 K.O. voorschrijft dat de kerkorde trouw nageleefd moet worden totdat de synode een formeel besluit tot wijziging heeft genomen. De verplichting tot vergaderen blijft dus onverminderd van kracht.
De classis speelt een cruciale, fundamentele rol in de presbyteriaal-synodale kerkstructuur; zij is de eerste en belangrijkste concrete uitwerking van het kerkverband. Hierin nemen plaatselijke kerken hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en krijgt het kerkverband daadwerkelijk gestalte door directe verbinding en samenwerking. De suggestie dat de generale synode haar verantwoordelijkheid bij de plaatselijke kerken heeft teruggelegd, of dat artikelen als 30 en 31 K.O. ‘krachteloos’ zijn geworden en daardoor meerdere vergaderingen niet meer wettig zouden kunnen samenkomen, moet als onjuist en misleidend worden bestempeld. Artikel 30 K.O. bepaalt de bevoegdheid van vergaderingen, niet dat deze bevoegdheid bij verdeeldheid vervalt. Bovendien zijn bevoegdheid en verantwoordelijkheid onlosmakelijk met elkaar verbonden en kunnen niet zomaar worden gedelegeerd. Het voortzetten van de classisvergaderingen is essentieel voor de orde, de vrede en het functioneren van het kerkverband, en draagt bij aan de constructieve voortzetting van het kerkelijk samenleven.
Dit wordt beschreven in art. 5.4 K.O: ‘De approbatie van de volgens art. 10 K.O. afgegeven attesten van een predikant, beroepen in een andere classis, zal bij de classis waar hij beroepen is, kunnen geschieden door twee daartoe aangewezen kerkenraden, welke al de kerkenraden van de classis tot hun vergadering uitnodigen. Bij afwezigheid van de uitgenodigde kerkenraden worden deze geacht stilzwijgend met de approbatie in te stemmen. (1925)’. Deze handelswijze wordt ook toegepast bij het afgeven van attesten aan een predikant door de classis vanwaaruit de predikant vertrekt.
In het jaarboekje staat bij elke classis vermeld welke twee kerken daarvoor binnen de classis zijn aangewezen (met eventueel secundi). Dit staat achter “Adres voor approbatie der attesten van vertrekkende en komende predikanten”.
Iets anders dan attesten van predikanten die een beroep naar een andere gemeente hebben aangenomen kan via classis contracta niet worden behandeld.
Een vertrekkende kerk moet ten eerste publieke verantwoording afleggen aan de eigen gemeente in een verplichte gemeentevergadering.
Ten tweede is een kerkrechtelijke rechtvaardiging aan de classis vereist, waarin gemotiveerd moet worden waarom de CGK “niet langer als kerk van Christus” wordt gezien.
Ten slotte is er een strikt verbod op ‘stilzwijgend eclipseren’, wat inhoudt dat een kerk niet informeel of zonder formele procedures mag uittreden, om de ordelijkheid en rechtszekerheid van het kerkelijk samenleven te waarborgen.
Dit is een besluit van generale synode 1965; zie ook art. 37.2 KO.
Zij verklaren zich hiermee hartelijk verbonden aan de gereformeerde belijdenis. Deze belijdenis omvat de zogenaamde Drie Formulieren van Enigheid. Met hun handtekening bevestigen zij dat deze belijdenis in alle stukken met Gods Woord overeenkomt.
De ambtsdragers beloven de gereformeerde leer trouw te zullen voorstaan en te leren. Deze verbondenheid betreft niet alleen het hoofd maar ook het hart; zonder die innerlijke verbondenheid kan het werk van de ambtsdrager binnen de gemeente of de bredere kerken niet heilzaam zijn.
Een belangrijk onderdeel van de verklaring is de belofte om bij een eventueel “afwijkend gevoelen” ten opzichte van de belijdenis de kerkelijke weg te bewandelen. Dit betekent dat twijfels of afwijkende gedachten hierover alleen binnen de vertrouwelijkheid van de kerkelijke vergaderingen besproken zullen worden, en niet persoonlijk in de gemeente geventileerd zullen worden, om verwarring te voorkomen. De ambtsdrager verklaart zich ook bereid om, indien kerkelijk gewenst, zich nader te verklaren.
Een bijzonderheid van het CGK-formulier is dat de ambtsdragers beloven “in alles te handelen naar de geldende kerkorde en de verdere bepalingen en besluiten van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland”. Hoewel de rangorde Schrift, belijdenis, kerkorde is, werd deze zin door de generale synode in 1962 toegevoegd om te voorkomen dat kerkenraden zich zomaar, zonder geestelijk-kerkelijke en eerlijke besprekingen, aan het kerkverband zouden onttrekken bij leergeschillen.
Hierover en m.n. over de reden van het opnemen van de expliciete verwijzing naar de synodebesluiten schreef ds. D. Quant in 2019 een artikel in het Ambtelijk Contact. Het artikel is hier te vinden: “Gebonden aan – verbonden met. Wat verklaren we in het ondertekeningsformulier?”